vrijdag 24 december 2010

Het licht van de volle maan.

Lange tijd heb ik niet van de Kersttijd gehouden. Ik vond het veel te veel glitter en buitenkant. Te oppervlakkig en te commercieel. Maar ik ben bezig de knop om te zetten. Het is ook mooi om Kerst te vieren. Het is gezellig met alle drukten in de kerk, en met de familie. En ik geniet. Vooral van de dingen die je zomaar gebeuren. Ik verwonder me over de prachtige laag sneeuw die is neergedaald vanuit de hemel. Over het vuil van de wereld is een warm, schoon, wit kleed gelegd. Het klopt met de plaatjes van onze kerstkaarten.

Begin deze week vierden we oecumenisch Kerst in het Noorderlandhuis in Hoogkarspel. We zongen de bekende liederen: over de geboorte van het Kind Jezus, en van licht in het donker. We dachten aan het donker van een wereld verloren in schulden, een wereld die van de ene crisis in de andere valt. We dachten aan het donker van het instituut kerk en haar leiders, die haar eigen zonden het liefst toedekken met een warme mantel der liefde. En aan het donker in het leven van kleine kinderen, van ouders, van mensen.

Licht in het donker: het lijkt dit jaar anders te klinken. Ons overviel veel te veel donker, de afgelopen weken. Kerst werd zomaar ingekaderd in een donkere, zwarte rouwrand. En daarom is het hoopvol, als we desalniettemin toch Kerst willen vieren. We spreken ermee uit, dat het nu toch eindelijk licht zal worden!

Dit jaar was de kerstviering in het Noorderlandhuis een bijzondere: er werd geen communie uitgereikt. Er stond wel een communiegebed afgedrukt in het boekje. Want zo waren we het altijd gewend. Maar in plaats van “brood” baden we om “licht”. We deelden het licht. En wonderlijk, hoe mooi dat alles paste. We ontvingen het kwetsbare licht en gaven het door: dit tere, eeuwige licht zal er zijn, onder ons, in ons, onverwacht en op heel verschillende manieren. Het laat zich niet door mensen opsluiten, niet in kerken, niet in rituelen. Hij is geboren: Jezus Christus, Kind van het Licht, van ons zoekende, samen-kerk-zijn.

Het verhaal spreekt van een ster. Maar ik zag deze nacht zo wonderlijk, groot en rond boven Lutjebroek, het volle licht van zuster maan.

Ik wens u allen goede moed, op uw weg naar licht en vrede!

zondag 12 december 2010

Stilstaan

We zijn op weg naar Kerst. De sneeuw is er al. Prachtig om te zien. Lastig en soms gevaarlijk als je er doorheen moet. Maar koud en bedreigend als je geen plek, geen thuis hebt.
Vorige week gingen we door een witte wereld op weg naar de rechtbank in Haarlem met een Afghaanse familie. 14 jaar geleden zijn zij naar Nederland gevlucht. Vader, moeder en drie kinderen (17, 15 en 11 jaar). Moeder en kinderen kregen een verblijfstatus. De vader niet. Of beter: eerst wel, maar dat werd later weer ingetrokken. Want hij heeft destijds in Afghanistan bij een foute organisatie gewerkt. Dat maakt hem verdacht. Er zijn geen bewijzen. Maar hij bungelt. Met alle gevolgen van dien. Het gejojo, het vernederende van verdacht zijn en je niet kunnen verdedigen. Niet mogen werken. Het illegaal verblijf. Het strafbaar zijn, ook van het gezin, als zij hem huisvesten. Zich moeten melden. Met steeds weer andere, administratieve, bureaucratische regels en wijzigingen van toeslagen en afslagen die dan weer van toepassing worden. Het gezin weet van donker en kou. En van grote dreiging.
Met hen gingen we over gladde wegen naar Haarlem, waar hij voor moest komen. We kwamen in een file terecht. Het stond stil. We zaten opgesloten. Angstvallig hielden we de klok in de gaten. Komen we wel op tijd? Gelukkig kwam er weer beweging. We belden: we zijn laat, maar we komen eraan!
In de rechtbank was de zitting vooral zakelijk. Op de tafels: te dikke dossiers, die door de jaren heen uit hun voegen gegroeid waren. Er was een herhaling van dezelfde argumenten, met soms een tevergeefse zoektocht in alle papieren naar een nieuw steekhoudend punt. De aanklager van de IND vatte het in de pauze kort voor ons samen als: domme pech, maar regel is regel.

Ik zag de verslagenheid en het verdriet van de kinderen. Zij zijn opgegroeid met trauma’s, met ernstige verliezen, en met de angst dat hun vader terug moet, het doodsland in. Zullen zij hier ooit hun weg in het leven kunnen vinden, een basis van vertrouwen in mensen? Dan mag er wel een wonder gebeuren, en dan dient er zo snel mogelijk recht gesproken te worden.
Wij zijn op weg naar Kerst. We staan stil, beschaamd, wachtend op een uitspraak, op beweging, op heil aan een wereld verloren in schuld.

zondag 14 november 2010

Op de grens van samen


“Dit is toch het huis van God? Mag dat hier in de kerk: een wereldse maaltijd?” De vraagsteller wist weinig van kerk en geloof, en van maaltijden. Daar kon hij niet bij. Het is ook moeilijk. Wat is het unieke, het speciale, dat gelovigen bindt? Wat is een wereldse maaltijd? En wat kan samen gedaan worden? Samen met de R.K. Kerk? Samen met “zogenaamde” ongelovigen? Samen met de moslims? Dezer dagen spreekt de synode van de Protestantse kerk over de vraag of we samen met moslims zouden kunnen bidden. Ik weet al wat eruit komt: dat men het erg moeilijk vindt.

Ik blijf het gekke maar boeiende vragen vinden: over de grens van geloof en wereld. Eerlijk gezegd kan ik in mijzelf die grens niet ontdekken. Ik leef mijn eigen leven en weet niet, of ik de gewone dagelijkse dingen doe en/of laat vanuit mijn geloof, of vanuit mijzelf, mijn eigen geweten, scholing en achtergrond. Er zijn zoveel dingen die meeklinken en die maken wie je (geworden) bent. Geloven is voor mij zoiets als muziek. Daarover kunnen we met elkaar in gesprek. Wat vind je mooi samenklinken, en wat niet? En als een groep mensen met elkaar muziek maakt, doet hun geloof er dan toe? Vinden zij dat belangrijk? Wil men alleen samen spelen met mensen, met dezelfde (politieke/gelovige) overtuiging? Maakt dat het extra mooi?

Zondag jl. was ik bij het concert van het zangkoor Floraklanken, in Bovenkarspel. Als koor hebben zij niets met kerk en geloof. Zij staan daarboven. Zij brachten een paar mooie geloofsliederen ten gehore in vreemde talen, in het Latijn, in het Duits. Het vreemde daaraan is dubbel: de taal en de symboliek van het geloof zijn voor veel mensen vreemd geworden, of altijd vreemd gebleven. En het wordt niet uitgelegd, niet begrepen. Het gaat ook niet om de inhoud. Het gaat om luisterrijke schoonheid. Zou de inhoud meespreken, dan werd het waarschijnlijk alleen maar moeilijker, want dan gaan verschillende meningen en (geloofs)overtuigingen van de koorleden meespelen.

Ik hoorde het prachtige, maar gewelddadige overwinningslied van Mirjam, van Frans Schubert: “De vijand is verslagen! Dood! God is groot!” Wat moeten we met dit lied over een God, die ten strijde trekt en mensen de dood aandoet?

Misschien toch met moslims in gebed, en vooral stil worden.

donderdag 14 oktober 2010

Tegenover elkaar

Wil je even komen kijken hoe de stoelen kunnen staan? Als ik meeloop met de kerkvrijwilligers en in de kerkzaal kom, staan alle stoelen een kwartslag gedraaid. Dit zijn we niet gewend. We zitten meestal in rijtjes achter elkaar. Nu staan de stoelen in een paar lange rijen, tegenover elkaar. Daartussen is een breed pad, met aan het eind de tafel. Zondagmorgen zingt de Vocale Kring Drechterland in onze kerk van Hoogkarspel. Hoe en waar mag dit grote koor staan? De preekstoel zullen we niet gebruiken. Zondag spreken we van begin en eind van het pad. In het midden. We spreken over wat er op de weg en op de grens kan gebeuren, die tussen mensen en groepen bestaat.

Zondag gaat het verhaal over aartsvader Jacob. Al vanaf het begin was hij in gevecht met zijn tweelingbroer. Onbegrijpelijk botsende karakters waren zij, die tegenover elkaar stonden. Er waren geniepige, onverkwikkelijke dingen. Er was bedrog en verraad. Jacob moest vluchten. De broers verliezen elkaar uit het oog. Maar na jaren keert Jacob weer terug. Hij zal zijn broer weer ontmoeten. Het zwarte verleden, dat hij zo zorgvuldig begraven had, spookt rond in zijn ziel. Angstig vraagt hij zich af, hoe het zal zijn. Neemt zijn broer wraak, of zal er verzoening zijn? In die nacht is er een vreemd gevecht van Jacob met Iemand: met een engel, met zichzelf, met zijn broer, met zijn donkere kanten, met God. Hij vecht op de grens, tussen verleden en toekomst, tussen donker en licht.

Zondag zitten we in een tegenover. Er zijn heel veel en verschillende tegenovers in het leven. De kerk, tegenover de wereld, of tegenover de islam. Armgemaakte mensen tegenover de rijken, mannen en vrouwen. Vreemdelingen tegenover de autochtone inwoners. Mensen en dieren. Leeuwen, slangen en duiven. Ieder heeft zijn plek en speelt zijn rol. En daartussen is een pad, een weg, om te vechten en/of om elkaar te ontmoeten. Het kan een plaats van verzoening zijn.

Het koor zingt zondag de mooiste liederen. Tegenover haar wordt geluisterd. En daartussen? Wat zullen wij nog daartussen doen? En zullen we nog iets symbolisch neerzetten? Een bloem? Een licht? De bijbel?
Nee, wij zagen het pad als een open, lege plek, als vrije ruimte en hoorden een lied uit de hemel: zing, vecht, huil, bid, lach, werk en bewonder …

vrijdag 24 september 2010

Goed jarig zijn

We kijken onze ogen uit, op de 75-ste verjaardag van mijn vriendin. De kunstwerken die zij de jaren door gemaakt heeft, staan uitgestald in de feestzaal. Deze dag is haar tijd om te delen. Ze laat zien wat er is. Ze nodigt iedereen uit om iets van haar mee te nemen. Niet alleen van wat zij maakte, maar ook van haar verzamelde levenswijsheid. Ze vat die kort samen. Het eerste is, dat de vrijheid van de wolf, de dood van het lam is. En het andere, dat ieder mens recht heeft op zelfbeschikking, ook bij het oud worden. Kort, vurig en krachtig wordt het neergezet.

We eten van de overvloedig aangedragen lekkernijen. Op deze dag zijn er geen wolven. Er zijn vriendinnen. Ik geniet van de gesprekken en van haar kunst. Ze wijst me een rood vlammend Pinkstervuur dat ze gekleid heeft. Het past bij mij, zegt ze. Dus gaat het mee naar huis. Ik zet het thuis op mijn tafeltje in de hal te branden.

Een paar dagen later stuurt ze een mail, met deze gelijkenis van de Braziliaanse theoloog Ruben Alves. Er was eens een lam dat had gehoord dat wolven onbetrouwbare, wrede en vraatzuchtige dieren waren. Maar hij wilde niet oordelen zonder persoonlijke kennis van zaken. Dus schreef hij de wolf een brief om hem te vragen wat deze van dit soort beschuldigingen dacht. De wolf schreef een sympathieke brief terug. Hij liet weten dat wolven kuddedieren zijn. Goed voor elkaar en zorgvuldig met het milieu. Er gingen wel verhalen rond over de eetgewoonten van de wolf. Maar alleen op verhalen mag je toch niet oordelen? Het lam was diep onder de indruk en besloot de wolf een bezoek te brengen. Pas toen werd hem duidelijk dat de eetgewoonten van de wolf doorslaggevend zijn.

Regelmatig komen mensen, gevlucht voor de wolven, en hopend ergens een veilige plek te vinden, om hulp vragen. Zij doen bij ons, volgens hun gewoonte, de schoenen van hun voeten. Daarmee bezig verloor een vrouw in mijn hal haar evenwicht en stootte tegen het kunstwerk van vuur. Een vlam brak en viel op de grond. Grote schrik. Gebroken vuur.

Ik hoorde de scherven spreken: al word je gebroken, wees niet bang. Je zult zijn die je bent. Pas op voor de wolf. En: lang zul je leven!

zaterdag 14 augustus 2010

Geschenken

“Dat potje rabarberjam, dat je me vorig jaar gegeven hebt, dat heb ik weggegooid. Er zaten van die vreemde stukjes in. Ik vertrouwde het niet!” Die stukjes, dat was gember. Dat smaakte dus vreemd. Ik had dat moeten zeggen, of op het etiket moeten schrijven. Zonde, dat het weggegooid is, vond ik. Dit voelt niet goed. Een aardigheidje wordt zomaar ongemak, en soms nog erger. Hoe blijf je daarin overeind, als gever en als ontvanger. Hoe houden we het, met alle verschillen van smaak die we hebben, toch aardig onder elkaar.

Ik breng graag iets mee. Iets eenvoudigs, iets voedzaams. Vruchten, een potje jam, honing, eieren van eigen leg. Met soms iets vreemds. Ook uit mijn geestelijke en spirituele keuken. Een artikel dat aanspreekt wordt gekopieerd. Een mooi boek wordt doorgegeven. Het moet gedeeld en over gesproken worden. We smullen.

Zo kreeg ik deze zomer van iemand het boek van Nico Dros, de sprekende slang. Het gaat over het leven en het geloof, over de kerk en kerkscheuringen in het Texelse Oosterend. Over het spreken van de slang uit Genesis 2. Was dat historisch waar gebeurd? In Oosterend wel. De slang zette mensen in de kerk tegen elkaar op en zaaide verdeeldheid. Ds. Buskes was er predikant. Hij maakte mee dat mensen recht tegenover elkaar kwamen te staan en - zo gelovig als ze waren - helemaal niets meer met elkaar te maken wilden hebben. De kerk werd een verdeeld en ziek lichaam. In 1926 besloot Buskes naar Amsterdam te gaan en nam afscheid van Oosterend. Iedereen zat te janken. Iemand zei, toen hij de dominee een hand gaf: “Dominee, u bent een ziek kind des Heeren en u zult in uw leven nog veel bittere medicijnen te slikken krijgen”. Buskes zei hierop: “Ik zal het met gelatenheid doen”. Men veroordeelde elkaar. Het werd voor iedereen een bittere pil, omdat verdraagzaamheid ver te zoeken was. Zo ging dat. Vroeger. De weg naar genezing was lang.

Na verloop van tijd vroegen mensen in de verschillende kerken zich af: waar ging het eigenlijk over? Over te zure rabarber? Over vreemde stukjes die niet te vertrouwen zijn? Over een slang die wel of niet daadwerkelijk, historisch waar gebeurd, gesproken had? Zonde, toch?
Laten we wijzer zijn.
Laten we met elkaar spreken over wat er werkelijk toe doet, en elkaar nieuwe hoop en vertrouwen schenken.

vrijdag 23 juli 2010

Verliezen

Op het station van Hoorn kwam hij vorige week naast mij zitten, een jongeman met een bescheiden koffer. Helemaal vól was hij van Oranje, van de overwinning in de ophanden zijnde finale. Hij moest en zou erbij zijn. Deze kans kreeg je maar één keer. Dus ging hij nú naar Schiphol voor een ticket. Het mocht 3500,- euro kosten. “Ik hoop dat je Mandela dan ook ziet” zei ik. Met mijn dochter had ik net de film “Invictus” gezien. Over de rugby-wedstrijd in 1995 Zuid Afrika - Nieuw Zeeland, met daarbij de inspirerende, grootse houding van president Mandela. Dertig jaar lang had hij gevangen gezeten; was opgesloten, vernederd en mishandeld. Dertig jaren verloren levenstijd, die hij wist te transformeren in winst: hij groeide uit tot een onoverwinnelijk mens.

We zijn een week verder. We hebben verloren. En dat niet alleen. Volgens kenners: terecht verloren. Tweede geworden. Second place, first loser. Het doet erg pijn. Er is veel boosheid, vooral op de scheidsrechter. En op onszelf. Dat we dit zijn. Dan was het verlies van schaatsheld Sven Kramer, die deze winter naast Olympisch goud greep, toch anders. Hij wàs de beste. Hem overkwam domme pech. Een verkeerde wissel. Maar het is en blijft verliezen. Verlies is niet zomaar te accepteren. Het zoekt een schuldige.

In het groot en in het klein kennen we onze verliezen: van idealen, van gezondheid, van werk, van vermogen. Je fiets wordt gestolen. Je verliest een mooie ring. We verliezen vrienden, omdat zij anders zijn en doen als we hadden verwacht. We verliezen mensen aan de dood. En we vinden schuldigen. Wij wijzen naar anderen, naar omstandigheden die dit hebben bewerkt. Wij zijn boos. We voelen ons vernederd, of in de steek gelaten. Het is niet rechtvaardig. Als die automobilist niet zo roekeloos gereden had. Het ziekenhuis maakte fouten. Die scheidsrechter nam de verkeerde beslissing.

Bracht het verlies van Oranje ons echt uit balans? Het leek heel erg. Het was een drama. Niet om aan te zien. Maar we herstelden in een paar dagen. Het werd feest! Of niet echt? Hoe zou het met die jongeman gegaan zijn? Heeft hij een ticket kunnen bemachtigen en Mandela gezien? Vond hij dat laatste eigenlijk wel belangrijk? Zou hij zich hervonden hebben? Bij alle verliezen toch een aanrader: de film Invictus.