“Ik ben een dominee van niets!” Zo begon de preek zondag jl. in de Dominicuskerk in Amsterdam. Dat hakte er bij mij, als kerkganger-dominee, behoorlijk in. Het verbaasde mij, dat een collega dat zomaar zo zegt! Het is toch pijnlijk, dat er zoveel niet loopt en lijkt te mislukken in de kerk. Dat er ’s zondags vaak te veel lege plekken zijn. Dat we ons afvragen: Wat blijft er uiteindelijk over? Waar doen we het voor? Waar gaat het om? Wie zijn we? Van wie? Het werd in de Dominicus uitgelegd: wij zijn van niets. Van niet-iets. Het was een gezegde van ds. Jean Jacques Suurmond, columnist in Trouw. Een dominee van niets.
Het Heilige, waaruit we leven en waarop we ons richten, is niet te vatten. Ongrijpbaar is het, waar het geloof mee bezig is en niet te bezitten. Het gaat om een open, lege, creatieve ruimte. Wat het geloof betekent, werd en wordt uitgesproken door ons, dominees, als het sprekende Woord, en uitgelegd in de preek. En het wordt beleefd en verbeeld in de sacrale dans. Daar bewegen wij ons, in reidans, rond een midden, een centrum, dat leeg is, dat “niets” is. Op dat punt zetten wij wel vaak een symbool neer, om het “niets” zichtbaar te maken: het licht van een brandende kaars, de liefde als een rood hart, een sjaal met alle kleuren van de regenboog, de gestalte van een engel, een bosje sneeuwklokjes of een roos. We geven het midden een zekere invulling, maar het gaat om wat erachter ligt: het “niets”, waarin iets gebeuren kan. Zoals de stilte wacht op een woord, of op muziek. Het gaat om een basis, een grond van vrijheid, om verwondering, om God, om het Heilige dat opgeroepen wordt en gebeurt, in ons verwachtende midden.
Een dominee en een kerk van niet-iets geeft ruimte aan de beweging, aan creativiteit, aan de Ander. Zij is niet van het één en niet van het ander. Zij is vrij, en laat zich niet claimen. Zij gaat voor vrede, voor het Geheel.
Er gebeurt in deze tijd heel veel in kringen van de kerk. We tasten naar het Heilige, naar wat alles te boven gaat, naar het niet-iets. We staan met lege handen. Een kerk en een dominee van niets. Het is niet anders.
zaterdag 5 maart 2011
vrijdag 4 februari 2011
Gemeentereiniging

Jaren geleden gaf ik een kennis voor haar verjaardag een aardigheidje. Ze pakte het uit, zag een stukje zeep, keek me aan en zei grappend: “Hoe zo? Ruik ik niet goed?” Dat was even schrikken. Natuurlijk was dat niet zo bedoeld! Daarna durfde ik niemand meer een stukje zeep te geven.
Dit jaar werd voor mijn verjaardag een cadeautje bezorgd. Toen ik het uitpakte, vond ik in een mooi Madruska-doosje een rond stukje zeep. Op het bijgevoegde kaartje stonden deze woorden: “de zeep heb ik zelf gemaakt, lila en parelmoer, in de vorm van cirkels. Met een middelpunt. En met de geur van jasmijn. Voor jou, dit jaar, al het goede met het thema “reiniging”.
Voor mij, en voor mijn werk in de kerk, is het een veelzeggend symbolisch geschenk. Ik weet het: wij ruiken niet goed. Er moet iets gebeuren. Een grote schoonmaak. Een nieuw begin. In het reine komen met het kwaad. De kerk kent daarvoor het teken van de doop: het afwassen van zonden, het kwaad achter je laten, en opnieuw beginnen. Gemeentereiniging. Weten van opstaan en groeien in het licht van Christus. Dat is de theorie. Maar hoe moet het in de praktijk?
Ik kreeg nog een ander cadeau. “Een keukenmeiden roman”, van Kathrijn Stockett. Het vertelt van vijftig jaar geleden, van zwarte vrouwen in het zuiden van de V.S, die hulpen zijn voor witte dames. Van vrouwen die verdacht worden gemaakt, naar beneden gehaald en vernederd. Ze koken, wassen, maken schoon en verzorgen met veel liefde de witte kinderen. Ze reinigen de witte WC’s, maar mogen er zelf geen gebruik van maken. Want dat zou ziek maken.
Met elkaar, en met de hulp van een witte vrouw, overwinnen ze de angst en beginnen een gewaagd project: het schrijven van een boek. Ze zoeken elkaar op en vertellen de ervaringen van hun dagelijks leven. Zij brengen het kwaad aan het licht. Het kwaad van racisme en seksisme. Het schrijven en publiceren van het boek werkt voor hen bevrijdend en reinigend. Er gaat iets nieuws gebeuren…
Wat we als kerkelijke gemeenschap nodig hebben is: verhalen vertellen, en naar elkaar en naar anderen willen luisteren. Schrijven. Ontdekken wat niet goed was. Bereid zijn om nieuwe wegen te zoeken en te gaan. En we zouden zeep kunnen maken, rond en met cirkels, en met de geur van jasmijn…
vrijdag 7 januari 2011
Blik naar binnen

Het kerkbestuur had het met ons overlegd: begin januari is het tijd om de struikgewassen in de buitentuin rond de pastorie aan te pakken. Al die wildgroei! Dat kon zo niet langer. De vlier – mijn geliefde vlier – werd als onkruid weggezet. Die moet je niet willen, werd gezegd. Ik zweeg.
Een nieuw jaar is aangebroken. Het schenkt ons een open blik. Het past in het transparante beleid dat de kerk wil uitdragen. De afgelopen dagen hoorden we de motorzagen ruimte scheppen. Kerk en pastorie zijn helemaal zichtbaar geworden. Staan we nu voor het aanrecht bij het keukenraam, zien we een vlakte vol auwto’s, en mensen met karren vol boodschappen. En we zien hun verbaasde blikken bij ons naar binnen gericht: hé, staat achter die struiken een huis? Dat we eindelijk nu ontdekt zijn, midden op het Raadhuisplein, is erger dan we gedacht hadden.
Het lijkt het beste om voorlopig het keukenraam discreet te sluieren. Een onderrand met vitrage. En aan de bovenkant een rolgordijn. Een “raamboerka”, met een spleet om licht door te laten, om naar de kaalslag buiten te kijken. Het nieuwe moet nog worden aangeplant, het moet nog gaan groeien. Dat gaat duren. En Moeder Maria laten we voor het raam staan, omdat - nu alles zo bloot en onbeschermd open ligt - waakzaamheid geboden is.
Wat voor mensen verborgen blijft, is onze Binnenhof. Wat zijn we daar blij mee! Daar lijkt het nu drukker. Allerlei vogels vliegen af en aan, hangen aan vetbollen en voeden zich met zaden. En ondergronds, in de kou, groeit het voorjaar, weten we. Daar wachten de bollen op de lente. Daar huist een soort “innerlijk licht”.
Buitentuin en Binnenhof. Het is als je eigen buiten- en binnenkant. Op een creatieve manier willen we ermee spelen in de meditatie-vespers in de kerk van Hoogkarspel. Niet de koude, blote buitenkant van de kerk, maar haar binnenkant willen we nu vooral ontdekken. We bedekken ons met een sjaal, als een gebedsmantel. We blikken naar binnen en worden stil. We luisteren naar een lied van Hildegard van Bingen, ”Innerlijk licht”: “Jij, ja jij brengt bloesem voort in de winter, warm stralend licht in stollend water”. Zo willen we in alle kaalslag onze eigen, kostbare nieuwe groei ontdekken.
donderdag 30 december 2010
Wijze vrouwen uit het westen
A manha vai ser outro dia - morgen zal een andere dag zijn - dit lied zou het intro van de kersttoespraak van de nieuwe president Dilma Rousseff aan het Braziliaanse volk geweest kunnen zijn. En dat zij daarna dan zegt: “Vandaag is het in vervulling gegaan!” Brazilië heeft haar vrouwelijke president, en dat mag net zo bijzonder gevonden worden als de V.S. met zijn zwarte man Barack Obama. Want hiermee worden vanzelfsprekende kaders doorbroken. Nu wordt het anders…
Vlak voor Kerst hoorde ik op de NOS radio het bericht dat Rousseff haar kerstgeschenk voor Brazilië had uitgepakt: zij had de nieuwe regering bekend gemaakt. Haar belofte is zij nagekomen: op de 34 ministerposten zitten 9 vrouwen. Dat is drie keer meer dan daarvoor. Op sociale ontwikkeling zit een vrouw. En op vrouwenzaken. Voor rassengelijkheid is er een zwarte vrouw. Voorheen werd dit door witte mijnheren gedaan. En Ana de Holande is minister geworden, de zus van Chico Buarque de Holande, één van de bekendste Braziliaanse liedtekstschrijvers en zangers van de 20-ste eeuw.
Ik hoorde het op de radio. Ik wilde graag ook beelden. Ik wilde meer zien en horen over dit wereldnieuws. Ik zocht in kranten en op internet, maar vond bijna niets. En daarom vul ik zelf maar in, hoe het zou kunnen zijn – de toespraak, en de entourage. Ik dacht aan het lied dat Chico Buarque zong in de jaren 60 en 70, toen Brazilië nog een gewelddadige militaire dictatuur kende. Dat een andere tijd komt, ook al wil de regering dit op allerlei manieren tegenhouden.
Het lied werd een enorm succes. De militairen voelden de dreiging die ervan uitging en verboden het. En het gebeurde, dat bij een optreden van Chico Buarque, de mensen begonnen te roepen: Amanha vai ser outro dia - zing het voor ons!!! Chico Buarque pakte zijn gitaar, maar stopte. Hij zag de militairen staan. Hij zag een waarschuwing in de ernstige gezichten en wist dat hij opgepakt zou worden. Maar de mensen riepen, en hij zei: lieve mensen, het is mij verboden dat lied nog langer te zingen. Het mag niet gehoord. Ik zal het dan ook niet zingen. Ik zal het voor jullie spelen. En hij speelde de sterren van de hemel. En heel het publiek zong: over morgen, een nieuwe tijd; over vrede op aarde, voor arme mensen.
Kerst 2010. Een kort bericht op de radio over de nieuwe regering in Brazilië. Over minister Ana, de zus van Chico Buarque. Horen we deze dagen het oude, versleten verhaal van drie wijzen uit het oosten, dit jaar hoorde ik als responsie hierop van de komst van drie maal drie vrouwen in het westen. Een (h)eerlijke belofte wordt vervuld.
Vlak voor Kerst hoorde ik op de NOS radio het bericht dat Rousseff haar kerstgeschenk voor Brazilië had uitgepakt: zij had de nieuwe regering bekend gemaakt. Haar belofte is zij nagekomen: op de 34 ministerposten zitten 9 vrouwen. Dat is drie keer meer dan daarvoor. Op sociale ontwikkeling zit een vrouw. En op vrouwenzaken. Voor rassengelijkheid is er een zwarte vrouw. Voorheen werd dit door witte mijnheren gedaan. En Ana de Holande is minister geworden, de zus van Chico Buarque de Holande, één van de bekendste Braziliaanse liedtekstschrijvers en zangers van de 20-ste eeuw.
Ik hoorde het op de radio. Ik wilde graag ook beelden. Ik wilde meer zien en horen over dit wereldnieuws. Ik zocht in kranten en op internet, maar vond bijna niets. En daarom vul ik zelf maar in, hoe het zou kunnen zijn – de toespraak, en de entourage. Ik dacht aan het lied dat Chico Buarque zong in de jaren 60 en 70, toen Brazilië nog een gewelddadige militaire dictatuur kende. Dat een andere tijd komt, ook al wil de regering dit op allerlei manieren tegenhouden.
Het lied werd een enorm succes. De militairen voelden de dreiging die ervan uitging en verboden het. En het gebeurde, dat bij een optreden van Chico Buarque, de mensen begonnen te roepen: Amanha vai ser outro dia - zing het voor ons!!! Chico Buarque pakte zijn gitaar, maar stopte. Hij zag de militairen staan. Hij zag een waarschuwing in de ernstige gezichten en wist dat hij opgepakt zou worden. Maar de mensen riepen, en hij zei: lieve mensen, het is mij verboden dat lied nog langer te zingen. Het mag niet gehoord. Ik zal het dan ook niet zingen. Ik zal het voor jullie spelen. En hij speelde de sterren van de hemel. En heel het publiek zong: over morgen, een nieuwe tijd; over vrede op aarde, voor arme mensen.
Kerst 2010. Een kort bericht op de radio over de nieuwe regering in Brazilië. Over minister Ana, de zus van Chico Buarque. Horen we deze dagen het oude, versleten verhaal van drie wijzen uit het oosten, dit jaar hoorde ik als responsie hierop van de komst van drie maal drie vrouwen in het westen. Een (h)eerlijke belofte wordt vervuld.
vrijdag 24 december 2010
Het licht van de volle maan.
Lange tijd heb ik niet van de Kersttijd gehouden. Ik vond het veel te veel glitter en buitenkant. Te oppervlakkig en te commercieel. Maar ik ben bezig de knop om te zetten. Het is ook mooi om Kerst te vieren. Het is gezellig met alle drukten in de kerk, en met de familie. En ik geniet. Vooral van de dingen die je zomaar gebeuren. Ik verwonder me over de prachtige laag sneeuw die is neergedaald vanuit de hemel. Over het vuil van de wereld is een warm, schoon, wit kleed gelegd. Het klopt met de plaatjes van onze kerstkaarten.
Begin deze week vierden we oecumenisch Kerst in het Noorderlandhuis in Hoogkarspel. We zongen de bekende liederen: over de geboorte van het Kind Jezus, en van licht in het donker. We dachten aan het donker van een wereld verloren in schulden, een wereld die van de ene crisis in de andere valt. We dachten aan het donker van het instituut kerk en haar leiders, die haar eigen zonden het liefst toedekken met een warme mantel der liefde. En aan het donker in het leven van kleine kinderen, van ouders, van mensen.
Licht in het donker: het lijkt dit jaar anders te klinken. Ons overviel veel te veel donker, de afgelopen weken. Kerst werd zomaar ingekaderd in een donkere, zwarte rouwrand. En daarom is het hoopvol, als we desalniettemin toch Kerst willen vieren. We spreken ermee uit, dat het nu toch eindelijk licht zal worden!
Dit jaar was de kerstviering in het Noorderlandhuis een bijzondere: er werd geen communie uitgereikt. Er stond wel een communiegebed afgedrukt in het boekje. Want zo waren we het altijd gewend. Maar in plaats van “brood” baden we om “licht”. We deelden het licht. En wonderlijk, hoe mooi dat alles paste. We ontvingen het kwetsbare licht en gaven het door: dit tere, eeuwige licht zal er zijn, onder ons, in ons, onverwacht en op heel verschillende manieren. Het laat zich niet door mensen opsluiten, niet in kerken, niet in rituelen. Hij is geboren: Jezus Christus, Kind van het Licht, van ons zoekende, samen-kerk-zijn.
Het verhaal spreekt van een ster. Maar ik zag deze nacht zo wonderlijk, groot en rond boven Lutjebroek, het volle licht van zuster maan.
Ik wens u allen goede moed, op uw weg naar licht en vrede!
Begin deze week vierden we oecumenisch Kerst in het Noorderlandhuis in Hoogkarspel. We zongen de bekende liederen: over de geboorte van het Kind Jezus, en van licht in het donker. We dachten aan het donker van een wereld verloren in schulden, een wereld die van de ene crisis in de andere valt. We dachten aan het donker van het instituut kerk en haar leiders, die haar eigen zonden het liefst toedekken met een warme mantel der liefde. En aan het donker in het leven van kleine kinderen, van ouders, van mensen.
Licht in het donker: het lijkt dit jaar anders te klinken. Ons overviel veel te veel donker, de afgelopen weken. Kerst werd zomaar ingekaderd in een donkere, zwarte rouwrand. En daarom is het hoopvol, als we desalniettemin toch Kerst willen vieren. We spreken ermee uit, dat het nu toch eindelijk licht zal worden!
Dit jaar was de kerstviering in het Noorderlandhuis een bijzondere: er werd geen communie uitgereikt. Er stond wel een communiegebed afgedrukt in het boekje. Want zo waren we het altijd gewend. Maar in plaats van “brood” baden we om “licht”. We deelden het licht. En wonderlijk, hoe mooi dat alles paste. We ontvingen het kwetsbare licht en gaven het door: dit tere, eeuwige licht zal er zijn, onder ons, in ons, onverwacht en op heel verschillende manieren. Het laat zich niet door mensen opsluiten, niet in kerken, niet in rituelen. Hij is geboren: Jezus Christus, Kind van het Licht, van ons zoekende, samen-kerk-zijn.
Het verhaal spreekt van een ster. Maar ik zag deze nacht zo wonderlijk, groot en rond boven Lutjebroek, het volle licht van zuster maan.
Ik wens u allen goede moed, op uw weg naar licht en vrede!
zondag 12 december 2010
Stilstaan
We zijn op weg naar Kerst. De sneeuw is er al. Prachtig om te zien. Lastig en soms gevaarlijk als je er doorheen moet. Maar koud en bedreigend als je geen plek, geen thuis hebt.
Vorige week gingen we door een witte wereld op weg naar de rechtbank in Haarlem met een Afghaanse familie. 14 jaar geleden zijn zij naar Nederland gevlucht. Vader, moeder en drie kinderen (17, 15 en 11 jaar). Moeder en kinderen kregen een verblijfstatus. De vader niet. Of beter: eerst wel, maar dat werd later weer ingetrokken. Want hij heeft destijds in Afghanistan bij een foute organisatie gewerkt. Dat maakt hem verdacht. Er zijn geen bewijzen. Maar hij bungelt. Met alle gevolgen van dien. Het gejojo, het vernederende van verdacht zijn en je niet kunnen verdedigen. Niet mogen werken. Het illegaal verblijf. Het strafbaar zijn, ook van het gezin, als zij hem huisvesten. Zich moeten melden. Met steeds weer andere, administratieve, bureaucratische regels en wijzigingen van toeslagen en afslagen die dan weer van toepassing worden. Het gezin weet van donker en kou. En van grote dreiging.
Met hen gingen we over gladde wegen naar Haarlem, waar hij voor moest komen. We kwamen in een file terecht. Het stond stil. We zaten opgesloten. Angstvallig hielden we de klok in de gaten. Komen we wel op tijd? Gelukkig kwam er weer beweging. We belden: we zijn laat, maar we komen eraan!
In de rechtbank was de zitting vooral zakelijk. Op de tafels: te dikke dossiers, die door de jaren heen uit hun voegen gegroeid waren. Er was een herhaling van dezelfde argumenten, met soms een tevergeefse zoektocht in alle papieren naar een nieuw steekhoudend punt. De aanklager van de IND vatte het in de pauze kort voor ons samen als: domme pech, maar regel is regel.
Ik zag de verslagenheid en het verdriet van de kinderen. Zij zijn opgegroeid met trauma’s, met ernstige verliezen, en met de angst dat hun vader terug moet, het doodsland in. Zullen zij hier ooit hun weg in het leven kunnen vinden, een basis van vertrouwen in mensen? Dan mag er wel een wonder gebeuren, en dan dient er zo snel mogelijk recht gesproken te worden.
Wij zijn op weg naar Kerst. We staan stil, beschaamd, wachtend op een uitspraak, op beweging, op heil aan een wereld verloren in schuld.
Vorige week gingen we door een witte wereld op weg naar de rechtbank in Haarlem met een Afghaanse familie. 14 jaar geleden zijn zij naar Nederland gevlucht. Vader, moeder en drie kinderen (17, 15 en 11 jaar). Moeder en kinderen kregen een verblijfstatus. De vader niet. Of beter: eerst wel, maar dat werd later weer ingetrokken. Want hij heeft destijds in Afghanistan bij een foute organisatie gewerkt. Dat maakt hem verdacht. Er zijn geen bewijzen. Maar hij bungelt. Met alle gevolgen van dien. Het gejojo, het vernederende van verdacht zijn en je niet kunnen verdedigen. Niet mogen werken. Het illegaal verblijf. Het strafbaar zijn, ook van het gezin, als zij hem huisvesten. Zich moeten melden. Met steeds weer andere, administratieve, bureaucratische regels en wijzigingen van toeslagen en afslagen die dan weer van toepassing worden. Het gezin weet van donker en kou. En van grote dreiging.
Met hen gingen we over gladde wegen naar Haarlem, waar hij voor moest komen. We kwamen in een file terecht. Het stond stil. We zaten opgesloten. Angstvallig hielden we de klok in de gaten. Komen we wel op tijd? Gelukkig kwam er weer beweging. We belden: we zijn laat, maar we komen eraan!
In de rechtbank was de zitting vooral zakelijk. Op de tafels: te dikke dossiers, die door de jaren heen uit hun voegen gegroeid waren. Er was een herhaling van dezelfde argumenten, met soms een tevergeefse zoektocht in alle papieren naar een nieuw steekhoudend punt. De aanklager van de IND vatte het in de pauze kort voor ons samen als: domme pech, maar regel is regel.
Ik zag de verslagenheid en het verdriet van de kinderen. Zij zijn opgegroeid met trauma’s, met ernstige verliezen, en met de angst dat hun vader terug moet, het doodsland in. Zullen zij hier ooit hun weg in het leven kunnen vinden, een basis van vertrouwen in mensen? Dan mag er wel een wonder gebeuren, en dan dient er zo snel mogelijk recht gesproken te worden.
Wij zijn op weg naar Kerst. We staan stil, beschaamd, wachtend op een uitspraak, op beweging, op heil aan een wereld verloren in schuld.
zondag 14 november 2010
Op de grens van samen
“Dit is toch het huis van God? Mag dat hier in de kerk: een wereldse maaltijd?” De vraagsteller wist weinig van kerk en geloof, en van maaltijden. Daar kon hij niet bij. Het is ook moeilijk. Wat is het unieke, het speciale, dat gelovigen bindt? Wat is een wereldse maaltijd? En wat kan samen gedaan worden? Samen met de R.K. Kerk? Samen met “zogenaamde” ongelovigen? Samen met de moslims? Dezer dagen spreekt de synode van de Protestantse kerk over de vraag of we samen met moslims zouden kunnen bidden. Ik weet al wat eruit komt: dat men het erg moeilijk vindt.
Ik blijf het gekke maar boeiende vragen vinden: over de grens van geloof en wereld. Eerlijk gezegd kan ik in mijzelf die grens niet ontdekken. Ik leef mijn eigen leven en weet niet, of ik de gewone dagelijkse dingen doe en/of laat vanuit mijn geloof, of vanuit mijzelf, mijn eigen geweten, scholing en achtergrond. Er zijn zoveel dingen die meeklinken en die maken wie je (geworden) bent. Geloven is voor mij zoiets als muziek. Daarover kunnen we met elkaar in gesprek. Wat vind je mooi samenklinken, en wat niet? En als een groep mensen met elkaar muziek maakt, doet hun geloof er dan toe? Vinden zij dat belangrijk? Wil men alleen samen spelen met mensen, met dezelfde (politieke/gelovige) overtuiging? Maakt dat het extra mooi?
Zondag jl. was ik bij het concert van het zangkoor Floraklanken, in Bovenkarspel. Als koor hebben zij niets met kerk en geloof. Zij staan daarboven. Zij brachten een paar mooie geloofsliederen ten gehore in vreemde talen, in het Latijn, in het Duits. Het vreemde daaraan is dubbel: de taal en de symboliek van het geloof zijn voor veel mensen vreemd geworden, of altijd vreemd gebleven. En het wordt niet uitgelegd, niet begrepen. Het gaat ook niet om de inhoud. Het gaat om luisterrijke schoonheid. Zou de inhoud meespreken, dan werd het waarschijnlijk alleen maar moeilijker, want dan gaan verschillende meningen en (geloofs)overtuigingen van de koorleden meespelen.
Ik hoorde het prachtige, maar gewelddadige overwinningslied van Mirjam, van Frans Schubert: “De vijand is verslagen! Dood! God is groot!” Wat moeten we met dit lied over een God, die ten strijde trekt en mensen de dood aandoet?
Misschien toch met moslims in gebed, en vooral stil worden.
Abonneren op:
Posts (Atom)
