Wil je even komen kijken hoe de stoelen kunnen staan? Als ik meeloop met de kerkvrijwilligers en in de kerkzaal kom, staan alle stoelen een kwartslag gedraaid. Dit zijn we niet gewend. We zitten meestal in rijtjes achter elkaar. Nu staan de stoelen in een paar lange rijen, tegenover elkaar. Daartussen is een breed pad, met aan het eind de tafel. Zondagmorgen zingt de Vocale Kring Drechterland in onze kerk van Hoogkarspel. Hoe en waar mag dit grote koor staan? De preekstoel zullen we niet gebruiken. Zondag spreken we van begin en eind van het pad. In het midden. We spreken over wat er op de weg en op de grens kan gebeuren, die tussen mensen en groepen bestaat.
Zondag gaat het verhaal over aartsvader Jacob. Al vanaf het begin was hij in gevecht met zijn tweelingbroer. Onbegrijpelijk botsende karakters waren zij, die tegenover elkaar stonden. Er waren geniepige, onverkwikkelijke dingen. Er was bedrog en verraad. Jacob moest vluchten. De broers verliezen elkaar uit het oog. Maar na jaren keert Jacob weer terug. Hij zal zijn broer weer ontmoeten. Het zwarte verleden, dat hij zo zorgvuldig begraven had, spookt rond in zijn ziel. Angstig vraagt hij zich af, hoe het zal zijn. Neemt zijn broer wraak, of zal er verzoening zijn? In die nacht is er een vreemd gevecht van Jacob met Iemand: met een engel, met zichzelf, met zijn broer, met zijn donkere kanten, met God. Hij vecht op de grens, tussen verleden en toekomst, tussen donker en licht.
Zondag zitten we in een tegenover. Er zijn heel veel en verschillende tegenovers in het leven. De kerk, tegenover de wereld, of tegenover de islam. Armgemaakte mensen tegenover de rijken, mannen en vrouwen. Vreemdelingen tegenover de autochtone inwoners. Mensen en dieren. Leeuwen, slangen en duiven. Ieder heeft zijn plek en speelt zijn rol. En daartussen is een pad, een weg, om te vechten en/of om elkaar te ontmoeten. Het kan een plaats van verzoening zijn.
Het koor zingt zondag de mooiste liederen. Tegenover haar wordt geluisterd. En daartussen? Wat zullen wij nog daartussen doen? En zullen we nog iets symbolisch neerzetten? Een bloem? Een licht? De bijbel?
Nee, wij zagen het pad als een open, lege plek, als vrije ruimte en hoorden een lied uit de hemel: zing, vecht, huil, bid, lach, werk en bewonder …
donderdag 14 oktober 2010
vrijdag 24 september 2010
Goed jarig zijn
We kijken onze ogen uit, op de 75-ste verjaardag van mijn vriendin. De kunstwerken die zij de jaren door gemaakt heeft, staan uitgestald in de feestzaal. Deze dag is haar tijd om te delen. Ze laat zien wat er is. Ze nodigt iedereen uit om iets van haar mee te nemen. Niet alleen van wat zij maakte, maar ook van haar verzamelde levenswijsheid. Ze vat die kort samen. Het eerste is, dat de vrijheid van de wolf, de dood van het lam is. En het andere, dat ieder mens recht heeft op zelfbeschikking, ook bij het oud worden. Kort, vurig en krachtig wordt het neergezet.
We eten van de overvloedig aangedragen lekkernijen. Op deze dag zijn er geen wolven. Er zijn vriendinnen. Ik geniet van de gesprekken en van haar kunst. Ze wijst me een rood vlammend Pinkstervuur dat ze gekleid heeft. Het past bij mij, zegt ze. Dus gaat het mee naar huis. Ik zet het thuis op mijn tafeltje in de hal te branden.
Een paar dagen later stuurt ze een mail, met deze gelijkenis van de Braziliaanse theoloog Ruben Alves. Er was eens een lam dat had gehoord dat wolven onbetrouwbare, wrede en vraatzuchtige dieren waren. Maar hij wilde niet oordelen zonder persoonlijke kennis van zaken. Dus schreef hij de wolf een brief om hem te vragen wat deze van dit soort beschuldigingen dacht. De wolf schreef een sympathieke brief terug. Hij liet weten dat wolven kuddedieren zijn. Goed voor elkaar en zorgvuldig met het milieu. Er gingen wel verhalen rond over de eetgewoonten van de wolf. Maar alleen op verhalen mag je toch niet oordelen? Het lam was diep onder de indruk en besloot de wolf een bezoek te brengen. Pas toen werd hem duidelijk dat de eetgewoonten van de wolf doorslaggevend zijn.
Regelmatig komen mensen, gevlucht voor de wolven, en hopend ergens een veilige plek te vinden, om hulp vragen. Zij doen bij ons, volgens hun gewoonte, de schoenen van hun voeten. Daarmee bezig verloor een vrouw in mijn hal haar evenwicht en stootte tegen het kunstwerk van vuur. Een vlam brak en viel op de grond. Grote schrik. Gebroken vuur.
Ik hoorde de scherven spreken: al word je gebroken, wees niet bang. Je zult zijn die je bent. Pas op voor de wolf. En: lang zul je leven!
We eten van de overvloedig aangedragen lekkernijen. Op deze dag zijn er geen wolven. Er zijn vriendinnen. Ik geniet van de gesprekken en van haar kunst. Ze wijst me een rood vlammend Pinkstervuur dat ze gekleid heeft. Het past bij mij, zegt ze. Dus gaat het mee naar huis. Ik zet het thuis op mijn tafeltje in de hal te branden.
Een paar dagen later stuurt ze een mail, met deze gelijkenis van de Braziliaanse theoloog Ruben Alves. Er was eens een lam dat had gehoord dat wolven onbetrouwbare, wrede en vraatzuchtige dieren waren. Maar hij wilde niet oordelen zonder persoonlijke kennis van zaken. Dus schreef hij de wolf een brief om hem te vragen wat deze van dit soort beschuldigingen dacht. De wolf schreef een sympathieke brief terug. Hij liet weten dat wolven kuddedieren zijn. Goed voor elkaar en zorgvuldig met het milieu. Er gingen wel verhalen rond over de eetgewoonten van de wolf. Maar alleen op verhalen mag je toch niet oordelen? Het lam was diep onder de indruk en besloot de wolf een bezoek te brengen. Pas toen werd hem duidelijk dat de eetgewoonten van de wolf doorslaggevend zijn.
Regelmatig komen mensen, gevlucht voor de wolven, en hopend ergens een veilige plek te vinden, om hulp vragen. Zij doen bij ons, volgens hun gewoonte, de schoenen van hun voeten. Daarmee bezig verloor een vrouw in mijn hal haar evenwicht en stootte tegen het kunstwerk van vuur. Een vlam brak en viel op de grond. Grote schrik. Gebroken vuur.
Ik hoorde de scherven spreken: al word je gebroken, wees niet bang. Je zult zijn die je bent. Pas op voor de wolf. En: lang zul je leven!
zaterdag 14 augustus 2010
Geschenken
“Dat potje rabarberjam, dat je me vorig jaar gegeven hebt, dat heb ik weggegooid. Er zaten van die vreemde stukjes in. Ik vertrouwde het niet!” Die stukjes, dat was gember. Dat smaakte dus vreemd. Ik had dat moeten zeggen, of op het etiket moeten schrijven. Zonde, dat het weggegooid is, vond ik. Dit voelt niet goed. Een aardigheidje wordt zomaar ongemak, en soms nog erger. Hoe blijf je daarin overeind, als gever en als ontvanger. Hoe houden we het, met alle verschillen van smaak die we hebben, toch aardig onder elkaar.
Ik breng graag iets mee. Iets eenvoudigs, iets voedzaams. Vruchten, een potje jam, honing, eieren van eigen leg. Met soms iets vreemds. Ook uit mijn geestelijke en spirituele keuken. Een artikel dat aanspreekt wordt gekopieerd. Een mooi boek wordt doorgegeven. Het moet gedeeld en over gesproken worden. We smullen.
Zo kreeg ik deze zomer van iemand het boek van Nico Dros, de sprekende slang. Het gaat over het leven en het geloof, over de kerk en kerkscheuringen in het Texelse Oosterend. Over het spreken van de slang uit Genesis 2. Was dat historisch waar gebeurd? In Oosterend wel. De slang zette mensen in de kerk tegen elkaar op en zaaide verdeeldheid. Ds. Buskes was er predikant. Hij maakte mee dat mensen recht tegenover elkaar kwamen te staan en - zo gelovig als ze waren - helemaal niets meer met elkaar te maken wilden hebben. De kerk werd een verdeeld en ziek lichaam. In 1926 besloot Buskes naar Amsterdam te gaan en nam afscheid van Oosterend. Iedereen zat te janken. Iemand zei, toen hij de dominee een hand gaf: “Dominee, u bent een ziek kind des Heeren en u zult in uw leven nog veel bittere medicijnen te slikken krijgen”. Buskes zei hierop: “Ik zal het met gelatenheid doen”. Men veroordeelde elkaar. Het werd voor iedereen een bittere pil, omdat verdraagzaamheid ver te zoeken was. Zo ging dat. Vroeger. De weg naar genezing was lang.
Na verloop van tijd vroegen mensen in de verschillende kerken zich af: waar ging het eigenlijk over? Over te zure rabarber? Over vreemde stukjes die niet te vertrouwen zijn? Over een slang die wel of niet daadwerkelijk, historisch waar gebeurd, gesproken had? Zonde, toch?
Laten we wijzer zijn.
Laten we met elkaar spreken over wat er werkelijk toe doet, en elkaar nieuwe hoop en vertrouwen schenken.
Ik breng graag iets mee. Iets eenvoudigs, iets voedzaams. Vruchten, een potje jam, honing, eieren van eigen leg. Met soms iets vreemds. Ook uit mijn geestelijke en spirituele keuken. Een artikel dat aanspreekt wordt gekopieerd. Een mooi boek wordt doorgegeven. Het moet gedeeld en over gesproken worden. We smullen.
Zo kreeg ik deze zomer van iemand het boek van Nico Dros, de sprekende slang. Het gaat over het leven en het geloof, over de kerk en kerkscheuringen in het Texelse Oosterend. Over het spreken van de slang uit Genesis 2. Was dat historisch waar gebeurd? In Oosterend wel. De slang zette mensen in de kerk tegen elkaar op en zaaide verdeeldheid. Ds. Buskes was er predikant. Hij maakte mee dat mensen recht tegenover elkaar kwamen te staan en - zo gelovig als ze waren - helemaal niets meer met elkaar te maken wilden hebben. De kerk werd een verdeeld en ziek lichaam. In 1926 besloot Buskes naar Amsterdam te gaan en nam afscheid van Oosterend. Iedereen zat te janken. Iemand zei, toen hij de dominee een hand gaf: “Dominee, u bent een ziek kind des Heeren en u zult in uw leven nog veel bittere medicijnen te slikken krijgen”. Buskes zei hierop: “Ik zal het met gelatenheid doen”. Men veroordeelde elkaar. Het werd voor iedereen een bittere pil, omdat verdraagzaamheid ver te zoeken was. Zo ging dat. Vroeger. De weg naar genezing was lang.
Na verloop van tijd vroegen mensen in de verschillende kerken zich af: waar ging het eigenlijk over? Over te zure rabarber? Over vreemde stukjes die niet te vertrouwen zijn? Over een slang die wel of niet daadwerkelijk, historisch waar gebeurd, gesproken had? Zonde, toch?
Laten we wijzer zijn.
Laten we met elkaar spreken over wat er werkelijk toe doet, en elkaar nieuwe hoop en vertrouwen schenken.
vrijdag 23 juli 2010
Verliezen
Op het station van Hoorn kwam hij vorige week naast mij zitten, een jongeman met een bescheiden koffer. Helemaal vól was hij van Oranje, van de overwinning in de ophanden zijnde finale. Hij moest en zou erbij zijn. Deze kans kreeg je maar één keer. Dus ging hij nú naar Schiphol voor een ticket. Het mocht 3500,- euro kosten. “Ik hoop dat je Mandela dan ook ziet” zei ik. Met mijn dochter had ik net de film “Invictus” gezien. Over de rugby-wedstrijd in 1995 Zuid Afrika - Nieuw Zeeland, met daarbij de inspirerende, grootse houding van president Mandela. Dertig jaar lang had hij gevangen gezeten; was opgesloten, vernederd en mishandeld. Dertig jaren verloren levenstijd, die hij wist te transformeren in winst: hij groeide uit tot een onoverwinnelijk mens.
We zijn een week verder. We hebben verloren. En dat niet alleen. Volgens kenners: terecht verloren. Tweede geworden. Second place, first loser. Het doet erg pijn. Er is veel boosheid, vooral op de scheidsrechter. En op onszelf. Dat we dit zijn. Dan was het verlies van schaatsheld Sven Kramer, die deze winter naast Olympisch goud greep, toch anders. Hij wàs de beste. Hem overkwam domme pech. Een verkeerde wissel. Maar het is en blijft verliezen. Verlies is niet zomaar te accepteren. Het zoekt een schuldige.
In het groot en in het klein kennen we onze verliezen: van idealen, van gezondheid, van werk, van vermogen. Je fiets wordt gestolen. Je verliest een mooie ring. We verliezen vrienden, omdat zij anders zijn en doen als we hadden verwacht. We verliezen mensen aan de dood. En we vinden schuldigen. Wij wijzen naar anderen, naar omstandigheden die dit hebben bewerkt. Wij zijn boos. We voelen ons vernederd, of in de steek gelaten. Het is niet rechtvaardig. Als die automobilist niet zo roekeloos gereden had. Het ziekenhuis maakte fouten. Die scheidsrechter nam de verkeerde beslissing.
Bracht het verlies van Oranje ons echt uit balans? Het leek heel erg. Het was een drama. Niet om aan te zien. Maar we herstelden in een paar dagen. Het werd feest! Of niet echt? Hoe zou het met die jongeman gegaan zijn? Heeft hij een ticket kunnen bemachtigen en Mandela gezien? Vond hij dat laatste eigenlijk wel belangrijk? Zou hij zich hervonden hebben? Bij alle verliezen toch een aanrader: de film Invictus.
We zijn een week verder. We hebben verloren. En dat niet alleen. Volgens kenners: terecht verloren. Tweede geworden. Second place, first loser. Het doet erg pijn. Er is veel boosheid, vooral op de scheidsrechter. En op onszelf. Dat we dit zijn. Dan was het verlies van schaatsheld Sven Kramer, die deze winter naast Olympisch goud greep, toch anders. Hij wàs de beste. Hem overkwam domme pech. Een verkeerde wissel. Maar het is en blijft verliezen. Verlies is niet zomaar te accepteren. Het zoekt een schuldige.
In het groot en in het klein kennen we onze verliezen: van idealen, van gezondheid, van werk, van vermogen. Je fiets wordt gestolen. Je verliest een mooie ring. We verliezen vrienden, omdat zij anders zijn en doen als we hadden verwacht. We verliezen mensen aan de dood. En we vinden schuldigen. Wij wijzen naar anderen, naar omstandigheden die dit hebben bewerkt. Wij zijn boos. We voelen ons vernederd, of in de steek gelaten. Het is niet rechtvaardig. Als die automobilist niet zo roekeloos gereden had. Het ziekenhuis maakte fouten. Die scheidsrechter nam de verkeerde beslissing.
Bracht het verlies van Oranje ons echt uit balans? Het leek heel erg. Het was een drama. Niet om aan te zien. Maar we herstelden in een paar dagen. Het werd feest! Of niet echt? Hoe zou het met die jongeman gegaan zijn? Heeft hij een ticket kunnen bemachtigen en Mandela gezien? Vond hij dat laatste eigenlijk wel belangrijk? Zou hij zich hervonden hebben? Bij alle verliezen toch een aanrader: de film Invictus.
dinsdag 29 juni 2010
Wegen van zegen
De klok had elf geslagen. Het was donker. Een jongen schiet ons aan op het Raadhuisplein in Hoogkarspel. Hij zoekt de “landbouw”. Wij wijzen de weg. Nee, zegt hij, daar ben ik al geweest. Daar is het niet. We vragen verder. Nee, het is ook niet de “tuinbouw”. Hij weet het niet meer. Er moet een brug zijn. En een rotonde. Het klopt niet. Hij is zenuwachtig. Heb je geen adres? Kun je niet bellen? Nee, ook niet. De batterij van zijn telefoon is leeg.
Nou, kom dan maar mee, we wonen hier vlakbij, dan kun je de batterij opladen.
Al gauw krijgt hij contact. Hij begrijpt dat hij een dorp te ver is gelopen. Hij moet in Grootebroek zijn. Om hem niet verder te laten dwalen, zetten we de computer aan om voor hem een plattegrond uit te draaien. Ondertussen kijkt hij aandachtig de kamer rond.
Dan vraagt hij: ”Bent u christelijk?” Ja, hij is terecht gekomen bij de dominee, in de pastorie van de kerk. Hij vindt het een wonder. Hij vertelt God gebeden te hebben dat hij niet buiten zou hoeven slapen. En zie, het is goed gekomen.
Als hij even later met plattegrond de nacht in stapt, groet hij ons met de woorden: “God zal u zegenen”. En dat doet hij, in een donkere jonge jongen.
Nou, kom dan maar mee, we wonen hier vlakbij, dan kun je de batterij opladen.
Al gauw krijgt hij contact. Hij begrijpt dat hij een dorp te ver is gelopen. Hij moet in Grootebroek zijn. Om hem niet verder te laten dwalen, zetten we de computer aan om voor hem een plattegrond uit te draaien. Ondertussen kijkt hij aandachtig de kamer rond.
Dan vraagt hij: ”Bent u christelijk?” Ja, hij is terecht gekomen bij de dominee, in de pastorie van de kerk. Hij vindt het een wonder. Hij vertelt God gebeden te hebben dat hij niet buiten zou hoeven slapen. En zie, het is goed gekomen.
Als hij even later met plattegrond de nacht in stapt, groet hij ons met de woorden: “God zal u zegenen”. En dat doet hij, in een donkere jonge jongen.
Alleen anders
Maandag 14 juni jl. koos ik, toen er voetbal gekeken moest worden, voor het zwembad. Ik vond een plichtsgetrouwe badjuffrouw, die de geluidsinstallatie over het water liet schallen om iedereen op de hoogte te houden van het verloop van de wedstrijd. Maar alleen ik was er, en een eend die, net als ik, wat rust kwam zoeken.
Mijn hoofd zat vol. Vol van alles wat gebeurt, en van wat je leest. Voor studie lees ik deze dagen over Israël en de Palestijnse gebieden. Over de Holocaust, en het aan de Joden beloofde land, het uitverkoren volk van God. Over de knooppunten van de drie godsdiensten: van jodendom, christendom en islam. Onontwarbaar is het, een puinhoop, vol conflicten. Mensen leven met angst en haat, met vernederingen en aanslagen. Hoe heeft het allemaal zo ver kunnen komen? Wat heeft God en geloof er nog mee te maken? Waarom verloopt het leven en de geschiedenis daar toch zo dramatisch gewelddadig? Alsof de diepe wonden, die de geschiedenis heeft geslagen, gevoeld moeten blijven worden en steeds weer opengetrokken.
En toch, in dat alles, zijn er ook mensen die zich niet mee laten nemen in de spiraal van geweld. Een Daoud Nasser, die de grond van zijn Palestijnse voorouders niet wil prijsgeven. Hij kan de oude eigendomspapieren laten zien. Rondom zijn bedrijf verrijzen nederzettingen van joodse kolonisten. Zij bedreigen hem. Vernielen zijn olijfbomen. Ze willen dat hij weggaat, opgeeft. Maar hij gaat niet. Hij blijft. Hij zoekt vrede, organiseert ontmoetingen en nodigt jongeren uit. Hij vraagt hulp om nieuwe olijfbomen te planten, om zijn grond te bewerken, om te oogsten. Dit is zijn thuis. Hier moet samen geleefd worden. Het is een kans. Hij wil mensen de ogen openen: we zijn niet elkaars vijanden. We zijn mensen, en medemensen. We moeten willen geloven in een gezamenlijke toekomst.
Vanwaar de haat en de harde oordelen over de ander? Waarom en door wie wordt de angst gevoed? De grote vragen kunnen we terugbrengen tot onze eigen wereld van familie, van kerk, van geloof. Vaak leven we met verkeerde denkbeelden over de ander. Ook mij gebeurt dat. Ik moet nadenken. Ontspannen. Ik beweeg me in rustige wateren. Alleen. Een vreemde vogel zwemt met me mee.
Mijn hoofd zat vol. Vol van alles wat gebeurt, en van wat je leest. Voor studie lees ik deze dagen over Israël en de Palestijnse gebieden. Over de Holocaust, en het aan de Joden beloofde land, het uitverkoren volk van God. Over de knooppunten van de drie godsdiensten: van jodendom, christendom en islam. Onontwarbaar is het, een puinhoop, vol conflicten. Mensen leven met angst en haat, met vernederingen en aanslagen. Hoe heeft het allemaal zo ver kunnen komen? Wat heeft God en geloof er nog mee te maken? Waarom verloopt het leven en de geschiedenis daar toch zo dramatisch gewelddadig? Alsof de diepe wonden, die de geschiedenis heeft geslagen, gevoeld moeten blijven worden en steeds weer opengetrokken.
En toch, in dat alles, zijn er ook mensen die zich niet mee laten nemen in de spiraal van geweld. Een Daoud Nasser, die de grond van zijn Palestijnse voorouders niet wil prijsgeven. Hij kan de oude eigendomspapieren laten zien. Rondom zijn bedrijf verrijzen nederzettingen van joodse kolonisten. Zij bedreigen hem. Vernielen zijn olijfbomen. Ze willen dat hij weggaat, opgeeft. Maar hij gaat niet. Hij blijft. Hij zoekt vrede, organiseert ontmoetingen en nodigt jongeren uit. Hij vraagt hulp om nieuwe olijfbomen te planten, om zijn grond te bewerken, om te oogsten. Dit is zijn thuis. Hier moet samen geleefd worden. Het is een kans. Hij wil mensen de ogen openen: we zijn niet elkaars vijanden. We zijn mensen, en medemensen. We moeten willen geloven in een gezamenlijke toekomst.
Vanwaar de haat en de harde oordelen over de ander? Waarom en door wie wordt de angst gevoed? De grote vragen kunnen we terugbrengen tot onze eigen wereld van familie, van kerk, van geloof. Vaak leven we met verkeerde denkbeelden over de ander. Ook mij gebeurt dat. Ik moet nadenken. Ontspannen. Ik beweeg me in rustige wateren. Alleen. Een vreemde vogel zwemt met me mee.
donderdag 20 mei 2010
Levende stenen
Sjaloom, salaam: vrede, leerden we de afgelopen weken zeggen, op reis door Israël en de Palestijnse gebieden. We bezochten de bekende plaatsen van de bijbelse verhalen. We stonden bij het meer van Galilea. We waren in Nazaret en in Bethlehem in de geboortekerk. We zagen in Hebron de tombe van Abraham en Sara, met aan de ene kant de moskee en aan de andere kant de synagoge, van elkaar gescheiden door kogelvrij glas. Pijnlijk zichtbaar was de verdeeldheid tussen de beide broedervolkeren: joden en moslims. In Jeruzalem stonden we met velen ingebed bij de Klaagmuur. We beklommen de Olijfberg en bezochten Yad Vasjem, met de beelden van de Holocaust, de ontzettende vernietiging van joden in de tweede wereldoorlog. In de stadsbus begonnen Palestijnse kinderen een gesprek en gaven ons een hand. “We are friends”. Hun aanrader: de El Aksa moskee. “It is good for you”. We zochten een weg in de complexiteit van dit zogenaamde heilige land.
Eigenlijk had het mij nooit zo getrokken. Waarom zou je er willen zijn? Wat vind je er, op de plekken waar Jezus geleefd had? Maar ik liet me verleiden voor deze reis, omdat deze niet gericht was op de dode stenen van heilige plaatsen. Het ging vooral ook om ontmoetingen met mensen, die als levende stenen bruggen bouwen naar een nieuwe, saamhorige toekomst. Mensen die niet mee willen gaan met het denken in vijandsbeelden, in de kampen van “wij” en “zij”. Zij zijn met weinigen, maar ze zijn er. Zij putten uit bronnen van liefde. Liefde voor de ander, de tegenstander, die het dagelijkse leven zo onmogelijk zwaar en onrechtvaardig maakt.
We hebben hoge, kilometers lange muren gezien met checkpoints, en lange rijen Palestijnen die opgesloten, verdreven en gediscrimineerd worden. We bezochten in een afgesloten joodse wijk een Amerikaan, met duits-joodse voorouders. Hij geloofde dat zijn God aan de joden dit land had beloofd.
Israël. Palestina. Dit is het thuisland van Jezus. Hier leefde hij de boodschap van recht, vrede en verzoening. Gaan in zijn voetspoor betekent: deze waarden hoog houden. Hij ging ons voor. Over grenzen en muren heen bleef hij de ander zoeken om wonden te helen en verzoening te brengen. Die levenshouding heeft hij ons nagelaten en overgeleverd. Dat is wat wij met Pinksteren vieren: dat zijn liefde over ons komt, en wij vol stromen met sjaloom, salaam: vrede!
Abonneren op:
Posts (Atom)
