Voor zaterdagmiddag 25 juli was een zware storm
voorspeld. Code oranje was afgegeven. Later werd dat code rood, met name voor
de kustgebieden. Evenementen moesten afgelast. ’s Avonds liet het journaal de beelden zien
van omgewaaide bomen. In geen honderd jaar was er in deze tijd (in de zomer)
zo’n storm. In het oosten van het land, bij ons in Elst, stormde het ook. De
groene takken van de bomen rond ons huis zwoegden en zwiepten zwaar heen en
weer. Ze hielden stand. Er waren alleen afgebroken takken. Maar zondagmorgen ontdekte
ik dat ook één van onze appelboompjes door de storm was getroffen. Niet het
boompje zelf, maar haar vruchten.
Hoe bijzonder zijn appels! Het begint bij de oerverhalen
van ‘in den beginne’, van de schepping. Van de ongeschonden paradijselijke tuin
en het eten van de verboden vrucht. Welke vrucht dat was, staat niet in de bijbel,
maar de traditie heeft er een appel van gemaakt. Het eten van de appel als de
eerste zonde. Zo stortte de mensheid zich in het verderf. Als eeuwen later
Jezus komt, de Messias, die in de geschiedenis geplant staat als Boom des
Levens, zien we hem als kind vaker afgebeeld met een appel in zijn handje. Hij
lijkt te zeggen: ‘Dit is mijn zoen-appel, mijn goede vrucht’. Hij komt het weer
goed maken. Vieren we in de kerk het avondmaal met brood en wijn, we zouden het
ook met appels kunnen vieren. Zoals in de joodse traditie op Nieuwjaarsdag stukjes
appel in honing gedoopt en uitgedeeld worden en men elkaar een goed en een zoet
nieuwjaar toewenst. We mogen plukken en delen in de nieuwe oogst, in het nieuwe
leven van die eeuwenoude Boom.
Ik legde mijn appeltjes als een drie-eenheid bij
elkaar. Twee waren doorboord. Ik dacht aan de Gekruisigde, en de wonden in zijn
beide handen. Dat de vogelen des hemels dat doen! Gelukkig had de storm ze ‘op
tijd’ geoogst. Anders waren ze helemaal voor de vogels geweest. Nu was er voor
ons een rest gebleven. Dat was genoeg. 