zondag 13 mei 2018

Vruchten van de Geest: aardbeien, zomerkoninkjes


Het is begonnen met Pinksteren in 2004. Ik had dienst in het Westfriese Westwoud, oecumenisch. Een RK koor zou de dienst opluisteren. De katholieken hechten aan de communie. Maar hoe ruim mag dat gevierd? Kan brood en wijn – lichaam en bloed van Christus -  vertaald worden naar de heilige Geest – met  aardbeien en slagroom?  Het gaat er in het sacrament om dat Christus ons wil bewonen, dat hij in en onder ons komt om ons leven te delen. We delen in de heilige Geest met onze adem, de wind. Kan de gemeenschap met de Geest  gevierd worden met de vrucht van de aardbei, die hoog gehouden als vlammetje, die spreekt van het rood van de liefde en die gekroond is met verbondenheid? 

Ik wilde het wagen. De week voor Pinksteren bezocht ik Klaas Musman, tuinder en aardbeienkoning.  Ik vertelde over de dienst en vroeg of hij de aardbeien wilde leveren.  Dat kon hij. Graag zelfs. En voor niks. Om een oud zeer goed te maken. Want jaren geleden was er een kerkvoogd bij hem geweest voor zijn jaarlijkse bijdrage voor de Hervormde kerk.  Klaas had geprotesteerd en  gezegd: ‘Dit is de omgekeerde wereld. De kerk is rijk. Ik ben arm. Eigenlijk zou het andersom moeten zijn. Jullie zouden mij moeten betalen’.   Daar was de kerkvoogd gauw klaar mee. Klaas werd uitgeschreven en niet meer lastig gevallen. Hij vond dat niet erg. Zijn vrouw was RK, zijn kinderen zaten op de katholieke school.  Het was goed zo. Maar nu vond hij het aardig om een verzoenend gebaar te maken en de aardbeien voor de dienst aan de kerk te schenken.
Velen vonden het een mooie Pinksterdienst. Een enkele protestant had er moeite mee en zei ontstemd: ‘Het leek net avondmaal!’  Maar juist dat is toch een waardevolle ervaring? Dat werd niet goed begrepen. En ik dacht aan het eerste Pinksterfeest en de kritiek die toen werd geuit: ‘Zij hebben te veel zoete wijn gedronken!’

We zijn 14 jaar verder. Een paar weken voor Pinksteren krijg ik het bericht van het overlijden van de Klaas Musman. De aardbeienkoning  is voor Pinksteren afgetreden. Eruit gestapt.
Ik ben bezig met de voorbereidingen op Pinksteren voor de dienst in de  Vluchtheuvelgemeente in Zetten.  In de Betuwe worden volop aardbeien geoogst. In Zetten willen we in de dienst de vruchten laten rondgaan, als teken van de gemeenschap met de Geest van God en van Christus.
Ik dichtte een couplet bij het lied (791)om bij de communie te zingen:

Liefde eenmaal uitgesproken  als uw Woord van het begin
liefde wil ons overkomen als geheim en zegening

Liefde zoekt in ons een woning met haar rode vrucht - de Geest
zie de aardbei, zomerkoning, onder ons op ’t Pinksterfeest.

En het leven van die aardse tuinder- zomerkoning, zal daarin herdacht worden.

Ineke van Middendorp-Sonneveld                                              
Elst, 13 mei 2018
 

donderdag 22 maart 2018

Ongelukkig geluk


Woensdag is oppasdag. ‘s Middags gaan we vaak met de kleinkinderen naar ons nabije parkje. De vierjarige Willem wil niet meer op het loopfietsje. Hij is daar te groot voor geworden, want hij kan echt fietsen met zonder zijwieltjes. Een probleem is nog: remmen. Dat oefenen we met hem. Zo trokken we gisteren  gezamenlijk het park in. Willem voorop. Hij wilde graag laten zien hoe goed en snel hij al was. Wij kwamen op zo’n 20 meter afstand achter hem aan. 
Ik zag het gebeuren.  Hoe hij op de rood-witte latten barricade af ging, die fietsers aan het begin van het park wil laten afstappen. Voorheen, op zijn loopfietsje, bukte hij even en dook eronder door. Nu zat hij iets hoger. Hij minderde vaart, keek, schatte in dat het nog zou kunnen lukken als hij echt heel diep bukte, stopte aarzelend met trappen en boog het hoofd tot op zijn stuur. Hij was te groot. Of de gang was eruit en het evenwicht weg. De lat lag te laag. Willem plofte neer onder zijn fietsje. Schrik. Als eerste hulp raapte ik troostend een ontredderd jochie op, die wonderlijk snel recupereerde. Alles deed het nog. Hij pakte zijn fiets en stapte op alsof er niets gebeurd was. Wel wéér groter geworden, gegroeid. Jammer? Nee!

Soms ligt de lat te hoog. Je hebt aspiraties. Je wilt iets bereiken. Maar het is niet haalbaar.
Soms ligt de lat te laag. Je bukt heel diep, maar stoot je hoofd. Je valt. Beide ervaringen zijn pijnlijk. Van beide kun je leren. Je kunt eraan groeien.
Het is levenskunst om daarin en daarmee begaanbare eigen wegen te vinden. Willem leerde: opstaan en doorgaan. Vol vertrouwen.   
 
Ineke van Middendorp-Sonneveld
22 maart 2018

zondag 11 februari 2018

Hoe lang en zwaar is de weg…



Vorige week samen met man Wim naar Duisburg geweest. Een eenvoudige treinreis, vanuit Arnhem met de Abellio. Naar een Afghaan die ruim 20 jaar geleden met zijn vrouw en kinderen in Nederland kwam wonen. Weggevlucht uit hun thuisland waren ze. Het was niet langer veilig voor hen. Twee van hun kinderen waren bij een aanslag gedood. Vanuit Vluchtelingenwerk werd Wim hun begeleider.
Het gezin kreeg een verblijfsvergunning. Alleen werd dat van de vader later ingetrokken, vanwege een ambtsbericht uit februari 2000 van de Nederlandse ambassade in Pakistan. Hij kreeg daardoor – omdat hij bij de overheid had gewerkt -  het label: verdachte van oorlogsmisdaden. Een jarenlang juridisch gevecht volgde om voor hem, net als vrouw en kinderen,  een verblijfsvergunning te krijgen. 

Door een gerechtelijke uitspraak in oktober 2016 werd echter zijn verblijf in Nederland ‘onrechtmatig’. Het leek hier niet langer meer veilig voor hem. Begin 2017 verdween hij. Opnieuw gevlucht. Alleen nu, zonder zijn gezin. Hij dook op in Duitsland. Kreeg ernstige problemen met zijn gezondheid. Vond er een plek, en werd (nog) niet aan Nederland overgedragen. Hij leert nu de Duitse taal in een opvanghuis in Duisburg. Zijn leven is gefrustreerd, wordt bedreigd. Het is onveilig, een gespannen wachten en afwachten. Hoe moet het verder? Wat hangt hem boven het hoofd?

Wij wilden bij hem op bezoek. Hij wachtte ons op bij de bushalte. Het was een emotioneel weerzien. De verhalen over zijn situatie kenden we: dat zijn gezin voortdurend geplaagd werd en wordt door de Nederlandse overheid o.a. door hen te korten op de zorg- en huurtoeslag. ‘Ze raden mijn vrouw nu aan om van me te scheiden!’ Weerloos en vol verdriet kwam het eruit. ‘Ik ben een getekende: een oorlogsmisdadiger!’ Weliswaar kwam het nooit verder dan een verdenking. Maar als jarenlang gezegd blijft worden dat je een misdadiger bent, ga je het zelf bijna geloven. Wat moet of  kan hij doen? Zich bekeren tot het christelijk geloof? Met zijn gezondheid gaat het niet goed. De voortdurende psychische druk heeft hem ernstig beschadigd. Na ruim 20 jaar opgejaagd en vernederd te zijn, zouden we – als weldenkende mensen - van de overheid moeten eisen: geef die man nu eindelijk rust, een veilig thuis bij zijn gezin. Ook ter wille van zijn vrouw en kinderen. Als hij al wat gedaan heeft, dan zijn zij allen inmiddels genoeg gestraft. Weet van vergeven. En dat we ook onszelf (de Nederlandse overheid) vergeven, die iemand – zonder bewijs, zonder rechtsgang – jarenlang als misdadiger heeft behandeld. Maar de overheid blijft bij de harde lijn: gewoon uitzetten. 

We werden in Duisburg warm onthaald. De hele keuken van het opvanghuis en zijn kamer geurden naar kip, die speciaal voor ons werd klaargemaakt. We zaten met hem rond de tafel aan de maaltijd. Er was salade en brood. Er moest gegeten en gedronken worden. We hieven het glas cola op zijn toekomst. 
Naar Duisburg. Het is een eenvoudige reis. Op de terugweg stopte de Abellio in Emmerich en ging niet verder. Er was een kapot treinstel. Met een bus werden we naar Arnhem gebracht. Warm zaten we tegen elkaar aan, als haringen in een ton. Het duurde. Het was meer en langer dan verwacht. Onze gedachten waren bij de vader, zijn vrouw en kinderen. En dat zij genadeloos gedwongen worden gescheiden wegen te gaan.

Ineke van Middendorp-Sonneveld
Elst, 11 februari 2018

dinsdag 2 januari 2018

Herkauwen



Vroeg in de middag op tweede kerstdag, gingen we naar de stal om de dingen klaar te zetten voor de viering. Toen we de deur open deden riep de boer ons vol vreugde, vanachter de koeien toe: ‘Het is een meisje!’ Ontroerend was dat. Er was net een prachtig kalfje geboren. Het werd met stro droog gewreven en in de kruiwagen gelegd. De kruiwagen, die in de viering dienst zou doen als kribbe, als voerbak.

We legden strobalen neer om op te zitten. De kruiwagen moest opgemaakt als voerbak met stro en korenaren, met boerenkool, appels en noten. De doeken erbij gelegd. De Christuskaars ernaast gezet, met kleine lichtjes. En dan: inspelen, Rina op de dwarsfluit, ik op de accordeon.

De eersten die kwamen waren een handvol mannen. Ze kwamen melk halen. Spraken arabisch. Vroegen wat er gebeurde. Ik legde het uit. Kerst in de stal. Liet het boekje zien met de liedjes. Ze zongen in gebroken taal: ’Brandt, kaarsjes, brandt; ’t is donker in het land’. Het was donker, ja. Ze kwamen uit Syrië. Woonden nu in Arnhem. We wensten elkaar licht en vrede. 

We vierden Kerst in de stal, de geboorte van het Licht in het donker van het leven. We zaten in een kring, we zongen en speelden, we spraken met elkaar en leerden een nieuw lied: dona nobis pacem – geef ons vrede. We dronken chocolademelk en genoten van de kerstkransjes.
 
En de koeien stonden erbij, aten nog wat van het hooi of lagen rustig te herkauwen. Ze waren vol van geduld. Alsof ze wilden zeggen; het komt goed. Neem de tijd. Slik de dingen die moeilijk voor je zijn, niet te snel door. Herpak het, overweeg het. Herkauw. totdat het verteerbaar is. Dan kan het zijn weg vinden en zal het je goed doen.

Deze  Kerst blijft me lang bij, met de geur van de stal. De stronken boerenkool werden mee naar huis  genomen, en wachtten in een emmer water op Nieuwjaarsdag. De familie wilde bij ons wel uit de kribbe komen eten. Voedzamer kon je het toch niet krijgen.
Een aantal korenaren legde ik als laatste vredesgroet, op de kist van een overleden vriendin.
 
Zo werd het voedsel uit het voerbak gedeeld en herkauwd, en vertelde wij weer het verhaal: een kind in het donker zal ons aan het licht brengen. Het zal ons voeden met licht en vrede.   
   
Ineke van Middendorp-Sonneveld
Elst, 2 januari 2018 

zaterdag 9 december 2017

De stal



De  jaren in Elst (het is nu het derde) kreeg onze kerststal geen plek in de warme huiskamer, maar buiten, in de kou. Woensdag jl. haalde ik de doos met kerstspullen te voorschijn en begon met het inrichten van de stal, onder het kale, jonge perenboompje, tegenover de voordeur. De engel vond een plek in een bloempot. Daar staat ze wat beschut, zodat ze haar lichtje brandende kan houden.  De os en de ezel werden erbij gezet. Eromheen kwamen groene takken uit de tuin. De kleinkinderen hielpen mee en droegen hun eigen dingen aan. Vormpjes uit de zandbak. Eerst een voerbak voor de dieren. Er kwam een eendje en een rood scootertje.  Een gele zeester kreeg een wankele plek aan een tak van het boompje. ’s Nachts viel de ster naar beneden. 

Voor het échte Kerstfeest in de stal  oefen ik nu regelmatig de liedjes op mijn accordeon op locatie tussen de koeien van het bedrijf, waar we actie voor voeren.  Ik spreek de boeren. Overleg met hen hoe en wat zij zouden willen voor een kerstviering. Zoek een kind. Dacht daarbij aan hun kleinzoon van drie maanden. Bezocht de jonge moeder. Vroeg of haar jongste Christuskind zou kunnen zijn, in de voerbak in de stal. Proefde grote aarzeling. Nee, het leek haar niet gepast om een kind daarvoor te gebruiken. ‘Laat ik het anders vragen’ probeerde ik ‘ik zoek niet direct een kind, ik zoek een moeder. Een moeder die met haar kind komt’. Kende zij het kerstverhaal? Met  kerk en geloof had ze niet veel. Ze had wel een vriendin, die protestants was. Zij wilde wel met haar overleggen…

Een levende kersstal, dat zou ik mooi vinden. Maar of die er komt?  We kunnen ook een kerststalletje in een hoek van de stal maken.  Dan hoeven de koeien er niet schaapachtig en vermomd als os en ezel bij te staan. Wijzelf mogen komen als engelen, herders , koningen of gewoon zoals we zijn.  We zitten op stro. Zijn gekomen om licht te zoeken en te zijn met elkaar, om muziek te maken en te zingen. Ook Rina komt op de dwarsfluit spelen. En Leo (de imker van de Vogelzang) komt zingen, hoop ik. Het is Advent. Ik ben bezig met de voorbereidingen op Kerst. Ik ruik naar de stal.