zondag 11 februari 2018

Hoe lang en zwaar is de weg…



Vorige week samen met man Wim naar Duisburg geweest. Een eenvoudige treinreis, vanuit Arnhem met de Abellio. Naar een Afghaan die ruim 20 jaar geleden met zijn vrouw en kinderen in Nederland kwam wonen. Weggevlucht uit hun thuisland waren ze. Het was niet langer veilig voor hen. Twee van hun kinderen waren bij een aanslag gedood. Vanuit Vluchtelingenwerk werd Wim hun begeleider.
Het gezin kreeg een verblijfsvergunning. Alleen werd dat van de vader later ingetrokken, vanwege een ambtsbericht uit februari 2000 van de Nederlandse ambassade in Pakistan. Hij kreeg daardoor – omdat hij bij de overheid had gewerkt -  het label: verdachte van oorlogsmisdaden. Een jarenlang juridisch gevecht volgde om voor hem, net als vrouw en kinderen,  een verblijfsvergunning te krijgen. 

Door een gerechtelijke uitspraak in oktober 2016 werd echter zijn verblijf in Nederland ‘onrechtmatig’. Het leek hier niet langer meer veilig voor hem. Begin 2017 verdween hij. Opnieuw gevlucht. Alleen nu, zonder zijn gezin. Hij dook op in Duitsland. Kreeg ernstige problemen met zijn gezondheid. Vond er een plek, en werd (nog) niet aan Nederland overgedragen. Hij leert nu de Duitse taal in een opvanghuis in Duisburg. Zijn leven is gefrustreerd, wordt bedreigd. Het is onveilig, een gespannen wachten en afwachten. Hoe moet het verder? Wat hangt hem boven het hoofd?

Wij wilden bij hem op bezoek. Hij wachtte ons op bij de bushalte. Het was een emotioneel weerzien. De verhalen over zijn situatie kenden we: dat zijn gezin voortdurend geplaagd werd en wordt door de Nederlandse overheid o.a. door hen te korten op de zorg- en huurtoeslag. ‘Ze raden mijn vrouw nu aan om van me te scheiden!’ Weerloos en vol verdriet kwam het eruit. ‘Ik ben een getekende: een oorlogsmisdadiger!’ Weliswaar kwam het nooit verder dan een verdenking. Maar als jarenlang gezegd blijft worden dat je een misdadiger bent, ga je het zelf bijna geloven. Wat moet of  kan hij doen? Zich bekeren tot het christelijk geloof? Met zijn gezondheid gaat het niet goed. De voortdurende psychische druk heeft hem ernstig beschadigd. Na ruim 20 jaar opgejaagd en vernederd te zijn, zouden we – als weldenkende mensen - van de overheid moeten eisen: geef die man nu eindelijk rust, een veilig thuis bij zijn gezin. Ook ter wille van zijn vrouw en kinderen. Als hij al wat gedaan heeft, dan zijn zij allen inmiddels genoeg gestraft. Weet van vergeven. En dat we ook onszelf (de Nederlandse overheid) vergeven, die iemand – zonder bewijs, zonder rechtsgang – jarenlang als misdadiger heeft behandeld. Maar de overheid blijft bij de harde lijn: gewoon uitzetten. 

We werden in Duisburg warm onthaald. De hele keuken van het opvanghuis en zijn kamer geurden naar kip, die speciaal voor ons werd klaargemaakt. We zaten met hem rond de tafel aan de maaltijd. Er was salade en brood. Er moest gegeten en gedronken worden. We hieven het glas cola op zijn toekomst. 
Naar Duisburg. Het is een eenvoudige reis. Op de terugweg stopte de Abellio in Emmerich en ging niet verder. Er was een kapot treinstel. Met een bus werden we naar Arnhem gebracht. Warm zaten we tegen elkaar aan, als haringen in een ton. Het duurde. Het was meer en langer dan verwacht. Onze gedachten waren bij de vader, zijn vrouw en kinderen. En dat zij genadeloos gedwongen worden gescheiden wegen te gaan.

Ineke van Middendorp-Sonneveld
Elst, 11 februari 2018

dinsdag 2 januari 2018

Herkauwen



Vroeg in de middag op tweede kerstdag, gingen we naar de stal om de dingen klaar te zetten voor de viering. Toen we de deur open deden riep de boer ons vol vreugde, vanachter de koeien toe: ‘Het is een meisje!’ Ontroerend was dat. Er was net een prachtig kalfje geboren. Het werd met stro droog gewreven en in de kruiwagen gelegd. De kruiwagen, die in de viering dienst zou doen als kribbe, als voerbak.

We legden strobalen neer om op te zitten. De kruiwagen moest opgemaakt als voerbak met stro en korenaren, met boerenkool, appels en noten. De doeken erbij gelegd. De Christuskaars ernaast gezet, met kleine lichtjes. En dan: inspelen, Rina op de dwarsfluit, ik op de accordeon.

De eersten die kwamen waren een handvol mannen. Ze kwamen melk halen. Spraken arabisch. Vroegen wat er gebeurde. Ik legde het uit. Kerst in de stal. Liet het boekje zien met de liedjes. Ze zongen in gebroken taal: ’Brandt, kaarsjes, brandt; ’t is donker in het land’. Het was donker, ja. Ze kwamen uit Syrië. Woonden nu in Arnhem. We wensten elkaar licht en vrede. 

We vierden Kerst in de stal, de geboorte van het Licht in het donker van het leven. We zaten in een kring, we zongen en speelden, we spraken met elkaar en leerden een nieuw lied: dona nobis pacem – geef ons vrede. We dronken chocolademelk en genoten van de kerstkransjes.
 
En de koeien stonden erbij, aten nog wat van het hooi of lagen rustig te herkauwen. Ze waren vol van geduld. Alsof ze wilden zeggen; het komt goed. Neem de tijd. Slik de dingen die moeilijk voor je zijn, niet te snel door. Herpak het, overweeg het. Herkauw. totdat het verteerbaar is. Dan kan het zijn weg vinden en zal het je goed doen.

Deze  Kerst blijft me lang bij, met de geur van de stal. De stronken boerenkool werden mee naar huis  genomen, en wachtten in een emmer water op Nieuwjaarsdag. De familie wilde bij ons wel uit de kribbe komen eten. Voedzamer kon je het toch niet krijgen.
Een aantal korenaren legde ik als laatste vredesgroet, op de kist van een overleden vriendin.
 
Zo werd het voedsel uit het voerbak gedeeld en herkauwd, en vertelde wij weer het verhaal: een kind in het donker zal ons aan het licht brengen. Het zal ons voeden met licht en vrede.   
   
Ineke van Middendorp-Sonneveld
Elst, 2 januari 2018 

zaterdag 9 december 2017

De stal



De  jaren in Elst (het is nu het derde) kreeg onze kerststal geen plek in de warme huiskamer, maar buiten, in de kou. Woensdag jl. haalde ik de doos met kerstspullen te voorschijn en begon met het inrichten van de stal, onder het kale, jonge perenboompje, tegenover de voordeur. De engel vond een plek in een bloempot. Daar staat ze wat beschut, zodat ze haar lichtje brandende kan houden.  De os en de ezel werden erbij gezet. Eromheen kwamen groene takken uit de tuin. De kleinkinderen hielpen mee en droegen hun eigen dingen aan. Vormpjes uit de zandbak. Eerst een voerbak voor de dieren. Er kwam een eendje en een rood scootertje.  Een gele zeester kreeg een wankele plek aan een tak van het boompje. ’s Nachts viel de ster naar beneden. 

Voor het échte Kerstfeest in de stal  oefen ik nu regelmatig de liedjes op mijn accordeon op locatie tussen de koeien van het bedrijf, waar we actie voor voeren.  Ik spreek de boeren. Overleg met hen hoe en wat zij zouden willen voor een kerstviering. Zoek een kind. Dacht daarbij aan hun kleinzoon van drie maanden. Bezocht de jonge moeder. Vroeg of haar jongste Christuskind zou kunnen zijn, in de voerbak in de stal. Proefde grote aarzeling. Nee, het leek haar niet gepast om een kind daarvoor te gebruiken. ‘Laat ik het anders vragen’ probeerde ik ‘ik zoek niet direct een kind, ik zoek een moeder. Een moeder die met haar kind komt’. Kende zij het kerstverhaal? Met  kerk en geloof had ze niet veel. Ze had wel een vriendin, die protestants was. Zij wilde wel met haar overleggen…

Een levende kersstal, dat zou ik mooi vinden. Maar of die er komt?  We kunnen ook een kerststalletje in een hoek van de stal maken.  Dan hoeven de koeien er niet schaapachtig en vermomd als os en ezel bij te staan. Wijzelf mogen komen als engelen, herders , koningen of gewoon zoals we zijn.  We zitten op stro. Zijn gekomen om licht te zoeken en te zijn met elkaar, om muziek te maken en te zingen. Ook Rina komt op de dwarsfluit spelen. En Leo (de imker van de Vogelzang) komt zingen, hoop ik. Het is Advent. Ik ben bezig met de voorbereidingen op Kerst. Ik ruik naar de stal.

zaterdag 25 november 2017

Op weg naar Kerst 2017



Het was nooit mijn feest, de jaren dat ik in de kerk werkte en met Kerst druk was met volle kerken en kerstbijeenkomsten. Het moest vooral mooi en gezellig zijn. De vertrouwde kerstliedjes, geen tegendraadse statements of ongemakkelijke verhalen. Preekte ik in mijn eerste gemeenten nog wel eens over Psalm 2 of maakte ik een persoonlijke kritische kanttekening bij het onvermijdelijke slotlied ‘Ere zij God’ – gaandeweg heb ik dat afgeleerd. Groots schreef ik in mijn agenda: ‘Kerst is licht, is de lieve vrede van voetstapjes in de sneeuw. Houd het gezellig!’  Niets is zo vervelend als herrie en mopperende gelovigen met Kerst. Dat wil je niet.
Ik ben nu ‘buiten dienst’. Mijn blik is niet meer naar binnen gericht, in de kerk. In mij leefde de gedachte om in de Advent en met Kerst ‘Stille nacht’ op de accordeon te spelen in het park, vlakbij ons huis. Om de nacht en het donker te heiligen. Het lied raakt aan diepe spirituele lagen van mijn ziel. Het zingt over de stilte. En over het stillen. Het stillen van honger. Over verzadigd worden en geheiligd met heil en vrede. Het zingt over onze eigen geboorte. Ons leven wordt in een ander licht gezet. De verlorenheid, de schuld wordt getransformeerd. Verzoend.
Er diende zich nog iets anders aan. De stal. Wij halen onze dagelijkse melk bij een boerenbedrijf in Elst. Het gaat niet goed daar, met de boeren. Wij begrepen dat zij al jarenlang verwikkeld zijn in slepende juridische procedures. Het bedrijf wordt bedreigd in zijn bestaan. Buren kochten en verbouwden er illegaal een vervallen woning. De gemeente gedoogde dit. Daarna begon het juridische gevecht.
De burgerwoning staat te dicht bij het bedrijf. De rechter oordeelt: woning is illegaal en stelt de boeren in het gelijk. In praktijk wil de gemeente Overbetuwe echter met een ‘tussen-oplossing’ de kool en de geit sparen, en een zo’n mooi verbouwde woning een kans geven. Na 17 jaar vechten begint de druk ondraaglijk te worden. 
Waarom laat de gemeente dit maar gebeuren?

De afgelopen weken ging ik verschillende keren met mijn accordeon naar de stal, om er tussen de koeien te spelen. Ik oefen de kerstliedjes. Het lijkt mij toe dat we dáár met Kerst moeten zijn. Het verhaal, dat in de kerken wordt verteld, wijst ook in die richting: naar de stal, de os en de ezel, de dieren, in het donker. Daar laat het Kind zich vinden. De boeren heb ik dit kerstgeschenk toegezegd: een kerstviering met hen, in de stal.
Hoe zal Kerst 2017 zich ontvouwen?
                                                                
                                                                       (wordt vervolgd)

Elst, 24 november 2017 


zaterdag 22 juli 2017

De Santackergaard



Drie maanden  geleden werd het bijenvolk, dat zich in onze tuin aan de Vogelzang had genesteld, door imker Leo Starink geschept en in één van zijn kasten gezet. Wij brachten het naar Park Lingezegen, bij het wordende voedselbos. Daar viel het met de neus in de boter: tussen de aangeplante fruitbomen groeit en bloeit er van alles: van klavers tot distels. Het lijkt mij een lustoord voor bijen. Hier is volop honing te halen.
Het aangrenzende perceel is de Santackergaard, met daarachter het oude proefstation waar de bekende Elstar appel ontwikkeld is. De aanleg en het beheer van de Santacker is in handen van Leo. In mei was het nog een kale vlakte met in het midden een verdieping, een poel met water als ‘oog’ van het landschap. Dat oog moest worden opgemaakt. Een bezoek aan de bijen werd vaak gecombineerd met een stukje werk op de Santacker: het zaaien van bloemen, van lupines, van klaprozen, van zonnebloemen. En het bestrijden van onkruid. Alles met de hand. Wat is onkruid? Akkerwinde die andere gewassen verstikt. Distels. Distels? Daar zijn de bijen toch gek op? Maar staan er niet te veel? Ik heb – met toestemming van Leo - een flink aantal uitgetrokken.

In mei vond een zwerm bijen mij. Of beter gezegd: zij vonden mijn tuin op de Vogelzang. Zij werden hier naartoe gebracht. Was het ‘mijn’ volk? Een paar weken later incasseerde ik de eerste steek op mijn hoofd bij mijn slaap: ik had de kraag van mijn blouse niet goed in de kap gedaan, die mij moest beschermen. Dat was dom. Er vloog er één naar binnen. De steek gaf een week lang een jeukerig gevoel. Daarna ging ‘mijn’ volk weer zwermen. Een klein volkje bleef achter. Leo zei dat de achterblijvers van mij waren. Ik zette er vraagtekens bij.
Vorige week stond ik een paar honderd meter van de bijenkasten vandaan vlakbij het oog. Er kwam een bij aanvliegen. Ik werd gestoken. Zomaar. Een paar dagen liep ik rond met een rode, gezwollen, jeukerige middelvinger. Het oog moet het hebben gezien. Het bleef onbewogen liggen. 

Gaandeweg is de Santacker een gaarde aan het worden. Er zijn bessen- en rozenstruiken aangeplant en druivenstokken. Rond het oog staan dahlia’s aan het begin van hun bloei. Er is veel groen van klaver en melde. Het is een mooie plek met in het midden dat oog. Het ligt er als spiegel van de ziel. Een bron. Bron van vreugde. Bron van tranen.


Hier word je uitgenodigd om te gaan zitten. Hier word je gezien. Door wie of door wat? Door het landschap? Door de hemel? Door God? Of door de bijen? Onbekende hoogte en diepte raken hier elkaar. Ik ging zitten en keek. Dacht na over de mysterieuze woorden (uit het boek van Chris Simoens, Tranen van de zon, over de betekenis van de bijen voor de mensheid):
 De zonnegod Re weende opnieuw
 en het water uit zijn ogen vloeide op de grond
 en veranderde daar in werkende bijen.
Ze werkten in bloemen en bomen van alle soorten, en zo ontstonden honing en was,
uit tranen van Re.




Ineke van Middendorp-Sonneveld
Elst, 21 juli 2017