vrijdag 3 juli 2015

Ingebed in het leven



Het gebed bij de maaltijd is een stukje cultureel christelijk/religieus erfgoed, waar we zuinig op moeten zijn. Het is een kans om aandacht te geven aan de diepere lagen van het leven, en dat het nuttigen van de maaltijd niet zomaar vanzelfsprekend is. Rond de tafel is een mooie plek ons te binnen brengen dat we ingebed zijn in het grote geheel van leven (verbonden te zijn met God). We vieren en delen het leven in een geven en ontvangen van voedsel en verhalen. Wat zullen we daarbij zegen? Welke woorden en gebeden worden aangereikt?In Trouw d.d. 13 juni 2015 stond een artikel van Dana Ploeger over Mindful eten. Zij reikte deze woorden aan:

Dit voedsel is een geschenk van de aarde, van de hemel,
van talrijke levende wezens en hard werken.
Laten we in dankbaarheid eten
zodat dit voedsel werkelijk aan ons is besteed.
Laten we onze onzorgvuldige gewoontes transformeren en de juiste maat vinden.
Laten we met mededogen eten
zodat we het lijden van levende wezens verminderen en onze planeet beschermen.


De eerste twee regels kan ik helemaal meemaken. Maar dan wordt het moralistisch. Er wordt opgeroepen tot eten ‘in dankbaarheid’, want anders is het voedsel niet werkelijk aan ons besteed. Evenzo moet er gegeten worden ‘met mededogen’ zodat we het lijden op aarde verminderen en onze planeet beschermen. Hoe eten we dan, de groenten uit Spanje en/of het stuk vlees uit Argentinië? Door aan de arbeidsomstandigheden te denken, aan  het dier, en aan het leven dat gegeven/genomen is? Moet de maaltijd dan aan een bepaald keurmerk voldoen van duurzaamheid, van biologisch/vegetarisch? Kunnen wij door ‘dankbaar en met mededogen te eten’ onze planeet beschermen? Mogen we niet gewoon, op onze eigen manier, van de maaltijd genieten? Nee: onze onzorgvuldige gewoonten moeten we transformeren tot de juiste maat. Niet gulzig zijn. Niet te veel opscheppen. De rem erop. De juiste maat is voor mij persoonlijk toch een paar pondjes minder. Je bent dik genoeg, hoor ik erin. Al vind ik het woord ‘transformeren’ wel passen bij de maaltijd. Want eten en voedsel verteren is een groots transformatie proces. Dat gebeurt in en aan ons, zonder dat we daar stil bij staan. Het zou mooi zijn om dit als een ‘wonder’ te benoemen, dit transformeren, dit verteren. Maar laten mijn zonden niet op deze plek en op die manier aangeduid en benoemd. Laat de maaltijd vooral een vreugdevolle zijn. Ik herschreef het op mijn manier. Zo zou het kunnen:

Dit voedsel is een geschenk van de aarde, van de hemel,
van grond, licht, lucht en water en van hard werken.
Wij danken dat wij hierin mogen delen,
dat wij ons te goed mogen doen aan dit eten
samen met anderen, en met alles wat leeft.

Sommige dingen kunnen daarbij concreet worden aangevuld. Bijvoorbeeld: wie er zo hard aan gewerkt heeft/hebben. En met wie we samen zijn, en dat dat goed doet.
Deze week vonden we, na een dag fietsen, onderdak bij een echtpaar van Vrienden op de fiets, die ons een B&B aanboden. Zij waren, toen ze met pensioen gingen, neergestreken in een klein dorp. Zij genoten van de rustige plek, het riante huis, het tuinieren en de mogelijkheid om hier hun vele kinderen en kleinkinderen te ontvangen. Ook ons lieten zij in hun rijkdom delen. ’s Avonds zaten we bij elkaar in de tuin. Het gesprek kwam op de dorpsgemeenschap en de kerk. Ik vertelde dat ik dominee was geweest, en nu met emeritaat was. Zij waren orthodox protestant, en kerkten niet in de ene (PKN) dorpskerk, maar in de stad. Wel hadden zij belangstelling voor de plaatselijke gemeenschap en de historische achtergronden van de kerk. Maar ja, zij kwamen van buiten, en het is dan niet gemakkelijk om te integreren. Dat herkende ik wel.
De volgende morgen stond de tafel gedekt om met elkaar te ontbijten. De gastvrouw ging voor in gebed. Gedankt werd voor de genoten nachtrust en het licht van de nieuwe dag. Dat God ons veiligheid had geschonken en ons behoed en bewaard had. Zegen dit voedsel. Geef ons een mooie dag, dat we leven ter ere van U en Uw Naam niet verloochenen, bad zij.
Met zorg en aandacht was de tafel klaargemaakt. Het brood was zelf gebakken, met het meel van de plaatselijke molenaar. Het eitje kwam van de kippen van de buren, en was precies goed gekookt: niet te hard en niet te zacht. De jam was uit de eigen keuken, de aardbeien vers geplukt uit eigen tuin. We genoten. We spraken over ons dagelijks voedsel. Dat er nu in de Betuwe overal kersen te koop zijn, in stalletjes langs de kant van de weg. Zij vroegen naar de prijs, en stelden dat de Nederlandse kersen toch erg duur zijn. Ja, wij hadden die middag in de plaatselijke supermarkt de aanbieding van Griekse kersen gezien en ons erover verbaasd. Ja, dat was een stuk goedkoper. We noemden de rol van de supermarkten, en dat boeren vaak te weinig betaald krijgen voor hun producten. De schaalvergroting in de landbouw. De macht van supermarkten. Onze gastvrouw vond het fijn dat de plaatselijke supermarkt er (nog) was, al deed de eigenaar niet vriendelijk tegen haar. Voor de wekelijkse grote hoeveelheid boodschappen ging zij met de auto naar de stad. Daar betaalde zij veel minder voor de boodschappen. Op tafel lag het Nederlands Dagblad. Wij vroegen of en nog nieuws was over de financiële crisis in Griekenland. Nee, dat was er nog steeds niet. Zij gaven vervolgens hun mening: die Grieken wisten Europa slim te bespelen. Maar zij staan daar allemaal elke dag te pinnen en hun zakken te vullen met ons geld. Wij hebben er meer dan genoeg in gestopt. We moeten hen niet langer de hand boven het hoofd houden.
Ik nam nog een paar heerlijke aardbeien. De maaltijd werd afgesloten, zoals zij gewend waren, met een stukje uit de bijbel. Zij lazen Job 19 vers 26 – 29. Het is het antwoord van de lijdende Job op het tweede betoog van Bildad. Job zegt:

O, mochten mijn woorden worden opgeschreven,
vastgelegd in een inscriptie,
 met een ijzeren stift gegrift, met lood gevuld,
voor altijd in de rotsen uitgehouwen!
Ik weet: mijn redder leeft,
 en hij zal tenslotte hier op aarde ingrijpen.
Hoezeer mijn huid ook is geschonden,
toch zal ik in dit lichaam God aanschouwen.
Ik zal hem aanschouwen,
ik zal hem met eigen ogen zien, ik, geen ander,
heel mijn binnenste smacht van verlangen.
Als jullie zeggen: “Hoe zullen we hem vervolgen?”
omdat ik de wortel van het kwaad zou zijn–
vrees dan zelf het zwaard,
want jullie woede is een wandaad die het zwaard verdient.
Weet dat er recht gesproken wordt.


Het zijn woorden van Job. Van de lijdende mens. Ik moest denken aan de Grieken. Maar ik durfde of wilde dat niet ter sprake brengen. We hadden nog een heel programma voor die dag. We moesten verder. Onze tassen stonden al gepakt. We rekenden af. Het was het Vrienden op de fiets prijsje voor een Bed & Breakfast: € 20,80 p.p. inclusief de toeristenbelasting. We waren geen vrienden. We waren vreemdelingen die onderdak hadden gekregen. Bij het begin van het ontbijt was er gebeden: ‘Geef ons een mooie dag, dat we leven ter ere van U en Uw Naam niet verloochenen’. Wat betekenen die woorden: leven ter ere van God en zijn Naam niet verloochenen? Wij zaten met zijn vieren rond de tafel zaten en stonden in de christelijke traditie. Maar op bovenstaande vraag zou ieder van ons, naar ik vermoed, heel verschillende antwoorden hebben gegeven. Voor mij betekent het : dat we het leven delen en genieten met velen. Dat we Gods genade (het geschenk van het leven) niet goedkoop en vanzelfsprekend maken. Dat we een rechtvaardige prijs willen betalen voor ons dagelijks brood en de vruchten van de aarde. Dat we het lijden en de Lijdenden in de wereld niet aan hun lot overlaten. Dat we niet zwijgen, als we zouden moeten spreken.
We moeten nog veel leren.

zondag 21 juni 2015

Bij de maaltijd



Voor de maaltijd een gebed uitspreken is in deze tijd niet meer vanzelfsprekend. Als mensen die elkaar niet goed kennen, met elkaar eten, is er vaak even een lastig moment, een verlegenheid: hoe zullen we beginnen?  Moeten we even stil zijn? Vragend wordt de kring rondgekeken of er soms iemand is die daar behoefte aan zou hebben. Zo’n begin doet afbreuk aan het gezamenlijke van de maaltijd. Daarom zou ik ervoor willen pleiten de maaltijd te beginnen met een moment van stilte. In deze stilte kan een ieder inkeren in zichzelf, of voor zichzelf een gebed uitspreken. Het bevordert het gezamenlijke. Het gaat het snelle ‘aanvallen’, het graaien, tegen. Beter gezegd: het geeft de nodige rust.

Zelf vind ik het zinvol om me bij de maaltijd te binnen te brengen dat “eten” een zegen is. Het meest eenvoudig wordt dit verwoord met “zegen dit eten”. Dat wij elkaar zegenen met het delen van de maaltijd. Zegenen betekent: dat het eten, en ons samenzijn goed zal doen. Het kindergebed zegt/zei: “Here zegen deze spijze, amen”. Maar ik onderschrijf de theologische slogan, die over de naam van God zegt: “God de Heer, dat kan niet meer.” God is zoveel groter en zo anders. “Zegen dit eten” is daarom beter, korter en krachtiger. Het is als een gebed aan God en tegelijk aan de tafelgenoten gezegd.  Het woord  zegenen is religieus gekleurd, maar kan, denk ik, wel in algemene zin gezegd worden. Met daarbij een moment van stilte, niet als een gebrek aan woorden, maar als een kostbaar geschenk.

Op een studiedag over duurzaamheid op 12 juni jl. in Ede, werd gesproken over rituelen en gebeden bij de maaltijd. Daar werd gewezen op de “platte ” tekst die al lange tijd op vele basisscholen bij de maaltijd gezongen wordt:  
“Smaak’lijk eten, smaak’lijk eten, eet maar op, eet maar op
dat zal lekker smaken, dat zal lekker smaken, hop, hop hop”.

Ja, dat moet toch anders kunnen. Ik probeerde wat, en geef het graag voor beter. Het zijn twee coupletten geworden. Als dat te veel is, dan kan men het bij één houden:

‘Het eten op tafel, hier in ons midden
wij er omheen, we mogen beginnen.
Open je handen maar naar elkaar
en voor het eten – alles is klaar.

Het kwam van ver en gaat nu beginnen:
de laatste reis - door je mond - naar binnen.
Open je hand en je mond dus maar
hier voor het eten – alles is klaar.’

Wekelijks zit ik in een kring aan tafel met ouders en kleine kinderen. 
We beginnen de maaltijd met een klankschaal, en vragen om stilte.
Het is een heilig moment. 
Het is een zegen.


dinsdag 9 juni 2015

ROOS



In memoriam Roos Mendel (23 november 1947 – 30 mei 2015)

Twee dagen was ik weg geweest en had niet mijn mailbox geopend. Toen ik op dinsdagmiddag achter de computer ging zitten voor de binnengekomen berichten, las ik dat zij op sjabbath was gestorven en nu, op deze derde dag, begraven. Het werd pijnlijk stil in mij. Roos. Prachtige roos. Mijn gedachten waren bij haar. Ik droeg haar om in mijn hart. Nabije, vertrouwde vriendin. De laatste jaren door onze verhuizingen op afstand geraakt. Maar we waren teruggekeerd en hadden elkaar weer gevonden. Ik had haar opgezocht. Ze was ziek. We zaten dit voorjaar in haar prieeltje. Zij met een schaaltje verse vruchten in haar schoot, met een mesje in de hand om het van ongerechtigheden te ontdoen. Ze deelde uit. En ik, ik had geurige olie voor haar meegebracht. Indian Rose & Sweet Almond Oil. Shanti Chakra. We waren samen een bron van troost. De zon scheen toen. Het was goed geweest. Om haar werd het daarna steeds stiller. Ik stuurde kaarten, en zette haar in de bloemen. Er kwamen weken lang geen berichten meer. Nu staarde ik naar mijn beeldscherm en begreep: zij is dood en begraven. Twee dagen was ik weg geweest.
Er was nog een mailbericht. Een uitnodiging voor een dienst in de synagoge in Dieren, op donderdag een paar dagen na de begrafenis. Om Roos te gedenken. Om elkaar te troosten met verhalen. Daar wilde ik graag bij zijn. Zo ontmoette ik die donderdag haar broer Michaël. Hij was het, die het mailcontact over het ziek zijn van Roos had onderhouden. Hij heette ons in de hal van de sjoel welkom en keek me aan. Ik zag in zijn oogopslag de olijke blik van Roos. Er was herkenning. De Joodse gemeenschap kwam hier bij elkaar, rond de familie, en vulde de hele ruimte. Michaël sprak over de laatste dagen. We volgden de liturgie vanuit een begeleidend boekje. De Hebreeuwse teksten en gebeden klonken als uit een andere wereld. Ze namen mij niet mee. Ik voelde me een vreemdeling. Ik zag geen bekenden. Niemand uit Terwolde, waar we hadden gewoond en elkaar hadden ontmoet. Niemand van de kring, die ik om haar heen had leren kennen. Ik wist niet dat Roos thuis was in deze joodse kring. Wel wist ik dat dit haar wortels waren. Ik begreep dat ze deze de laatste jaren hervonden had en teruggekeerd was.   
  
Zondags zocht ik de stilte in mijn buiten dienst in het park, bij wat zich aandient. Het eerste wat ik aangereikt kreeg waren de volle schalen witte bloesems van de vlier. Aan de rand van de vijver tussen het riet, zag ik een poes. Ze loerde naar de eenden, naar de pulletjes. Ik joeg haar weg, en ging op een steen zitten aan de waterkant. Zondagmorgen, kerktijd. Hier werd een eigen liturgie gevierd. Het zingen van vogels, het gekoer van duiven, het gekwaak van kikkers en eenden werd afgewisseld met stilte. Ook de karpers lieten zich horen: ze dansten aan het wateroppervlak het spetterend spel van de liefde.  Ouders kwamen met kinderen en met brood. Een hongerige moedereend waagde zich op het gras om ook van het brood te eten, en liet één geel en zeven bruin-gele pulletjes achter in het water. Ik zat er, en hield de wacht. De poes hield ik in de gaten. Die zat aan de overkant, opnieuw loerend. Boven het water verscheen een visdiefje. Zwierig, met krullende kringen schreef het boven de vijver een geheimtaal die niet te ontcijferen viel. Soms dook ze het water in, als doopte ze haar pen in de inkt om dan weer opnieuw verder te schrijven. Maar ik wist: ze is druk bezig haar maag te vullen. En waarom zou de poes dan niet mogen? Roos hield veel van poezen.     

Toen ik naar huis ging, ontdekte met krijt getekende pijlen op het asfalt, met vragen en opdrachten. Ik volgde gehoorzaam de route en deed wat gedaan moest worden: loop over dit muurtje. Ik zag de uitgebloeide rozen aan een struik, de bloemblaadjes als tranen op de grond. Verderop las ik: waarom liggen hier drempels in de weg? En tenslotte: hoeveel bomen staan er op een rij? Dat ging over de bomen in mijn straat, de Vogelzang. Ik telde zeven. Dan is er een grotere opening. Dan komen er nog twee, pal voor ons huis. Die twee staan dichter op elkaar en zijn met de takken in elkaar gegroeid. In mijn hoofd verstrengelden zich de woorden: boom, roos, vis, vuur, poes, duif, weg, thuis. 

'k Ben niet boos, ‘t is verdriet  
en geen roos die me ziet.

Ik pluk en ruik,

en heb haar als een klein boeket
op mijn kastje neergezet.

Zie hoe het zich openbaart
dit vreemde, ongekend geheim:
van leven, overgave, samen zijn.

dinsdag 19 mei 2015

Buiten dienst



Wezenzondag 17 mei 2015, Elst

‘Emeritus’ ben ik geworden. Vorig jaar werd ik ‘buiten dienst’ gesteld. De zondag is nu een vrije dag. Dat is nog wennen. Van Den Helder verhuisde ik naar de Vogelzang in het Betuwse Elst. Veel is  vreemd en onbekend, zowel van wat er speelt binnen de kerkelijke gemeente, als ook buiten, in de wijde omgeving. Veel meer dan voorheen ging mijn aandacht naar de groei en bloei in de eigen tuin. Naar de nieuw geplante appelboompjes bij ons huis. Naar wat er opkomt en te vinden is. Naar de plantjes die we van vrienden kregen, en die het ook hier willen doen. In de lente lijkt alles in de Betuwe in bloei te staan, in het gelid, op grote percelen landbouwgrond en in lange rijen. Ik had me willen onderdompelen in de bloesems en meditatief door de rijen willen lopen, heen en weer, als volgde ik de weg in een labyrint, en zo de hele boomgaard door. Maar waar? Kan dat, op een rustige plek? Wie moet ik vragen? Het is er niet van gekomen. Misschien weet ik straks de plek, als het fruit zwaar aan de bomen hangt en de oogst zich aandient. De gang daarlangs zal, denk ik, even indrukwekkend zijn als langs de bloesems. Ik zoek de stille verwondering, de bronnen van ons voedsel, van het dagelijks brood en de verbondenheid met alles wat is en zich aandient.

Het werd Hemelvaartsdag. Geen dienst was er in Elst. Ik dacht aan de buitendiensten in Den Helder. Het samenkomen onder de open hemel met lichte en donker-dreigende wolken, met vele vogels en het gezegend worden door een milde regen. Zo heb ik de buitendiensten op Hemelvaartsdag ervaren. In die grootse ruimte. Dat was goed. Ik miste het. En nu werd het de zondag na Hemelvaart: de Wezenzondag. Die dag gaat het verhaal over: alleen gelaten worden. Jezus is opgevaren naar de hemel. Zijn volgelingen blijven verweesd achter, zonder Hem, zonder Vader/Moeder God.  Zijn aanwezigheid als heilige Geest laat op zich wachten. Die zal komen met Pinksteren, en zal dan over heel de wereld gaan waaien, zodat iedereen zich  gedragen mag weten door de liefde van God.  

’s Nachts droomde ik van een vrouw die, omringd door vogels, bezig was in haar tuin en met een merel sprak. Wakker geworden wist ik: ik ga naar mijn buitendienst, in het park vlakbij de Vogelzang. In het midden is er een grote vijver met veel eenden. Met kerktijd liep ik er naar toe.
Bij de ingang van het park stond de grote kastanjeboom met haar honderden kaarsjes in bloei, als een warm welkom voor de dienst. Ik rondde de ene kant van de vijver, en ging naar het midden, naar de zithoek bij het water. Er was geen koster. Ik ruimde wat plastic tasjes en een lege likeurfles op, en ging zitten. De eenden keken mij vragend aan. Ik had geen brood. De zon scheen. Het waaide zacht over het rimpelende water. De lucht was vol wolken.
Er kwam een vader met kinderen. De eenden vlogen op hen af. Ze zagen het van verre: dit beloofde brood! Eén pulletje bleef alleen, verweesd piepend in het water achter. Moedereend was met de andere eenden naar de kinderen op het groene gras, waar volop brood werd gedeeld. De rand van de vijver was te hoog voor het kleintje. Het kon niet mee. Het was bang en zwom zenuwachtig heen en weer, en wist niet hoe op moeder te wachten. Toen het brood op was en iedereen  verzadigd leek, kwam ze  terug om zich over haar kleine te ontfermen.

Er kwamen grootouders met kleinkinderen. ‘We hebben maar weinig brood’ zei de opa, half tegen de kinderen, half tegen mij. Het jongetje was bang voor de te gretige  eenden. ‘Niet bang zijn’,  zei opa. ‘Gooi het brood maar naar ze toe’. Het was gauw op. Ze bleven kort. Maar al gauw kwamen de volgenden: weer een vader met kinderen en met veel brood. Ze hadden veel plezier met de eenden. ‘Je moet ze kleine stukjes geven’ leerde hij. Er werd veel en vrolijk uitgedeeld. De oudste maakte er een spelletje van, liep hard weg en vond het leuk dat de eenden hem achterna kwamen. Op een heuveltje bleef hij staan, hield als een priester het brood hoog,  en zag toe hoe een kring eenden zich om hem heen verzamelden. Eerbiedig, afwachtend volgden ze zijn bewegingen. Hij wachtte. Het was een heilig moment. Toen riep hij naar zijn vader: ‘Mag ik ook van het brood eten?’ ‘Nee joh, niet doen!’ klonk het streng. De betovering was verbroken. ‘Jammer,’dacht ik. Dacht hij. Waarom niet? De jongen rende naar de vijver en gooide, zo ver als hij kon, in één keer het grote stuk stokbrood op het water. Een eenzame meerkoet speerde erop af en ging ermee aan de haal. Dat was het. Op.
Het gezin vertrok. De rust keerde weer. Ik keek weer uit over het water. Mijn gedachten speelden met: buiten staan, buiten de kring, niet mee doen. Toeschouwer zijn. Buiten dienst. En ik was stil op deze bijzondere plek, waar veel gebeurde. Ook met mij.
Aan het eind was er nog een inzameling. Ik ruimde sigarettenpeuken, kleine lege plastic zakjes van wiet, dopjes en ander klein afval op en stopte het in de collectebak. Langs de andere kant van de vijver liep ik naar huis terug. Ik kwam weer langs de kastanje. De kaarsjes hoefden niet uitgeblazen. Ze nodigden uit voor de volgende buitendienst.            

vrijdag 15 mei 2015

OogappelSIEN



In het holst van de nacht van vrijdag 8 mei om 2.00 uur ging de telefoon. 
Onze zoon Berend was aan de lijn. De vliezen van zijn hoogzwangere vrouw Aafke waren gebroken.


Wij waren gevraagd om – als het zover was – op hun zoontje Willem van 22 maanden te passen.
Het was nu zover. De vroedvrouw was gebeld. Willen jullie komen? Ik kwam uit een eerste diepe slaap. Wim sliep mogelijk nog dieper. Moet één van ons, of zullen beiden? We gingen samen, 12 km. op de fiets naar Arnhem.  Binnen een uur stonden we bij hen op de stoep.
De vroedvrouw was bezig in het ziekenhuis een verloskamer te regelen met bed, bad en begeleiding. Het koffertje stond klaar. Ze vertrokken. Wij zouden onze weg wel vinden.

Vreemd en spannend was het. En nu weer naar bed. Slapen met de telefoon binnen handbereik.
Om 7.30 uur werden we wakker van de geluiden van kleine Willem. Hij keek verbaasd omdat zijn ouders er niet waren. ‘Die zijn de baby halen’, zeiden wij. ‘Baby, baby’, zei Willem.  We kleedden hem aan en maakten een ontbijt. Om 8.30 uur ging de telefoon. Zij was geboren. Sien. Alles was goed, met moeder en kind. Er moesten nog wat dingen bekeken. We hoorden nog nader. Opgelucht, ontroerd en dankbaar waren we. Willem was broertje geworden. ‘Er gaat nu heel veel voor jou veranderen’, zei ik tegen hem. ‘Baby, baby’, zei Willem. Om 10.00 uur waren we in het ziekenhuis, en vonden het pasgeboren kind liggend onder een warme lamp. Zwarte krulletjes piepten vanonder haar mutsje uit. Een flinke, blauw gestuwde, gekreukelde, ernstig slapende Sien. Zij werd opgepakt en aangereikt.  Zij en haar moeder mochten naar huis.
foto: Willem van Erk
De volgende dag waren we samen met de andere grootouders op bezoek. We vonden moeder Aafke koninklijk midden in de kamer, met Sien op schoot, met vader Berend en broertje WIllem, met een vriendin en de kraamverzorgster. Met ons erbij: een huis vol mensen! Sien had haar muts afgezet. Ze had een bos donker haar. Mooi was ze was geworden, uit de plooi, een roze kleur. Ze mocht bij mij. Ze mocht bij de andere oma. Er werden foto’s genomen. Ze hield haar oogjes stijf dicht. Elke beweging werd gevolgd. Haar gebalde vuistjes, het sierlijk spreiden van haar handjes, haar lange vingertjes, het grote geeuwen. Soms probeerde ze even een klein kiertje met haar ogen. Ze begon te huilen. Dus: terug naar moeder Aafke. Vertrouwde geur. Geborgenheid. Troost. Aan de borst. We zagen haar drinken. De kraamhulp kwam erbij zitten en streek over Siens krullenbol. ‘We gaan haar straks in bad doen. Dat willen jullie zeker wel meemaken!’ zei ze tegen de grootouders. Haren wassen. Leuke kleertjes aantrekken. Opmaken. Voor het eerst. Een feest. Laten zien hoe mooi ze is. Moeder en kraamhulp hadden er zin in. Maar ik wilde naar huis. Ik ben nog van het oude stempel. Van rust, en met rust laten. Van de heilige momenten: verborgen in een donker hoekje de baby voeden. Dit was druk.

We vertrokken. We hadden overlegd om bij haar geboorte een Magnolia (tulpenboompje) te geven. Omdat het van die mooie vormen heeft.  Ik heb ’s middags een mooie paarse gevonden en gekocht. Toen ik met het boompje naar huis fietste, begon het te regenen. Dat is in deze droge tijd een zegen. Water uit de hemel, ook voor dit boompje. Ik dacht aan Sien,  die nu voor het eerst met water overspoeld en gewassen was. En hoe mooi ze gevormd was. Van zichzelf, en door anderen. 
Mijn oogappelSIEN.